Archive | Uitgelicht

Humus

Albrecht Thaer was een visionair. Deze Duitse agronoom (die leefde van 1752 tot 1828) geloofde namelijk rotsvast in de kracht van humus. Humus, zo schreef hij, is het product van alle levende materie, en de bron ervan. Planten groeien immers beter op humusrijke dan op humusarme grond. Niet dat Thaer de eerste was die tot deze conclusie kwam. De waarde van humus voor de landbouw werd al onderkend door de oude Grieken en Romeinen, maar pas in de negentiende eeuw poogden wetenschappers het geheim ervan te ontrafelen. Dat lukte grotendeels en de ideeën van Thaer bleven tot halverwege de negentiende eeuw in zwang.

Dan wordt deze theorie echter ingehaald door de ‘mineraalstoffentheorie’ van de Duitse chemicus Justus von Liebig (1803-1873). Die stelde dat humus een gevolg, geen oorzaak was van plantengroei. Humus konden ze immers niet opnemen. Het leven in de bodem was niet van nut voor de planten. Hun groei, aldus Von Liebig, was afhankelijk van een handje vol nutriënten. Von Liebig toonde zijn theorie met experimenten aan en werd daarmee de uitvinder van kunstmest. Hij drukte een enorm stempel op de landbouw, die nog steeds in de dagelijkse praktijk zichtbaar is. Maar Von Liebig onderschatte de waarde van humus volledig.

We gaan nog een eeuw terug. Het is de jaren zeventig van de zeventiende eeuw en de Leidse wetenschapper Antoni van Leeuwenhoek gebruikt zijn zelf ontwikkelde microscoop om van alles en nog wat te bestuderen. Eerst treft hij leven aan in slootwater, niet veel later in zijn eigen tandplak. Daarmee is hij de eerste die micro-organismen waarneemt die leven in of op ons lichaam. Dankzij deze waarnemingen wordt Van Leeuwenhoek de grondlegger van de microbiologie genoemd. Hij ziet ze nog als onschuldige aanwezigen. Maar dat zou veranderen.

In de decennia die volgen worden steeds meer micro-organismen ontmaskerd als ziekteverwekkers, die dood en verderf zaaien. De conclusie is al snel: bacteriën doen of niks, dan zijn het commensalen, of ze veroorzaken ziektes, dan zijn het pathogenen. Vooral op die tweede groep, en de bestrijding ervan, komt de nadruk te liggen. De reputatie van micro-organismen verslechtert in rap tempo.

Een simplistische kijk dus, zowel op de landbouw als op de microbiologie. Toch waren er ook uitzonderingen. Een ervan was Selman Waksman. Deze wetenschapper raakte begin vorige eeuw geintrigeerd door de micro-organismen in de bodem. Hij groeide op op het platteland van Oekraïne, een gebied met zeer vruchtbare, zwarte grond. Die grond inspireerde hem. Toen hij in de Verenigde Staten wetenschap begon te bedrijven, stortte hij zich al snel op microben van de bodem.

Zoals hij later schreef in zijn autobiografie ‘My life with the microbes’: ‘Ik heb de destructieve capaciteiten van sommige microben, en de constructieve van andere beschouwd. Ik heb manieren geprobeerd te vinden om de ene te ontmoedigen en de andere aan te moedigen.’

Waksman zag in dat er interacties waren tussen microben onderling, en tussen microben en planten. Hij schreef ook een boek over het belang van humus in de natuur. Waksman werd beroemd dankzij iets heel anders: de ontdekking van meer dan twintig verschillende antibiotica, stoffen geproduceerd door bodemmicro-organismen om hun vijanden te doden. Zeer belangrijke vindingen, met onder meer de ontdekking van streptomycine, het eerste effectieve medicijn tegen tuberculose, waar hij in 1952 voor werd onderscheiden met de Nobelprijs, maar die helaas de microbiologie verder een andere kant op stuwde dan waar zijn hart lag: die van het bestrijden van ziekteverwekkers, met nauwelijks aandacht voor de onschuldige, en de goede.

We vliegen een eindje verder in de tijd, naar de jaren zeventig van de vorige eeuw. Wederom een tegendraadse wetenschapper, Carl Woese, werkt aan een methode om micro-organismen te identificeren. Hij gebruikt een soort streepjescode op het genetisch materiaal. Het duurt lang voor zijn methode wordt geaccepteerd, maar uiteindelijk raken zijn collega’s overtuigd. Wat blijkt? Er zijn veel meer micro-organismen dan we dachten. In onze omgeving, met name in de bodem, en op ons lichaam. Drie tot misschien wel tien keer meer dan ons aantal lichaamscellen, met zo’n honderd keer meer genen dan wij.

Het onderzoeksveld dat in zijn kielzog ontstaat, levert vooral de afgelopen jaren de ene na de andere ontdekking. De belangrijkste conclusie: slechts een heel klein deel van de op ons lichaam levende microben kan ziektes veroorzaken en de overgrote meerderheid daarvan doet dat alleen onder uitzonderlijke omstandigheden – wanneer het lichaam onder zware stress staat. De rest is onschuldig. Sterker nog, ze versterken ons lichaam. Ze assisteren en stimuleren ons immuunsysteem, reguleren onze stofwisseling, verzorgen onze huid en darmwand. Ook in onze omgeving is de invloed van microben immens. Zoals Woese het uitdrukte: ‘wanneer alle meercelligen zouden verdwijnen, zouden de micro-organismen gewoon doorleven, zouden zij verdwijnen, dan zou het overige leven snel instorten.’

Niet zo gek natuurlijk. De wereld waarin wij evolueerden, werd al die tijd gedomineerd door micro-organismen. Ze waren er, ze bevolkten ons, onze lichamen leerden met hen omgaan en sloten allianties om van hun aanwezigheid te profiteren. Een deel van die allianties hebben we verbroken door onze moderne levensstijl. We eten gemaksvoedsel waarmee we onze darmbacteriën verwaarlozen. Onze kinderen worden geboren via een keizersnee, waardoor ze de micro-organismen mislopen die hun moeder voor hen had klaargelegd als startpopulatie. We gebruiken desinfectiemiddelen om onze omgeving schoon te houden breedspectrumantibiotica om infecties te bestrijden en doden de micro-organismen in en op ons voedsel zoveel als we kunnen. We leven niet langer in de omgeving waarin die micro-organismen voorkomen waar ons lichaam het beste bij gedijt. We hebben ons van hen vervreemd en nu pas beginnen we hen weer te waarderen.

Met al deze nieuwe inzichten wordt langzaam duidelijk hoe wij zelf, als hoeders van onze eigen microben, beter voor onszelf kunnen zorgen. Aan ons de taak om de gunstige soorten aan te trekken, tevreden te houden en te stimuleren tot gedrag wat ons lichaam ten goede komt. Vezels eten moeten we. Niet te veel antibiotica gebruiken, want die doden niet alleen schadelijke, maar ook gunstige bacteriën. Niet te veel stress en voldoende slaap, want dat houdt ons immuunsysteem alert, waardoor het niet alleen schadelijke soorten kan weren maar ook de goede kan koesteren. En als het systeem uit balans is, kunnen we het wellicht een zetje de goede kant op geven met probiotica of ingrijpender therapieeën zoals poeptransplantaties.

Voor de microben in de bodem en hun interactie geldt hetzelfde: ze zijn samen opgegroeid, geëvolueerd. Ze vulden elkaar aan. Ze zijn verwaarloosd en langzaam leren we ze weer kennen. Er was een symbiose, een team waarvan wij een lid hebben weggerukt. It takes two to tango, maar de afgelopen decennia was de landbouw een solodans

Alles wat je leest in Allemaal Beestjes over de interacties tussen de micro-organismen en ons lichaam, geldt tot op zekere hoogte ook voor landbouwgewassen. Vandaag hebben we gehoord over een probioticum voor de landbouw. Alle grote agrochemische bedrijven zijn op deze kar van biologicals gesprongen. De simplistische kijk op de landbouw, met kunstmest en pesticiden als belangrijkste middelen, loopt op haar laatste benen. Gezonde, rijke landbouwgrond wordt weer het uitgangspunt van succesvolle, en ook duurzame landbouw. De humus is in ere hersteld.

Deze lezing sprak ik uit bij de presentatie van mijn boek Allemaal Beestjes, ter gelegenheid van de lancering van probiotisch gewasbeschermingsmiddel Serenade, van Bayer Crop Sciences.

Posted in Allemaal beestjes, Blog, UitgelichtComments (0)

Koffietijd!

Maandag 15 september schitterde ik in de stralende zon aan tafel bij Loretta Schrijver bij Koffietijd op RTL4.

Kijk hier het item terug.

 

Posted in Allemaal beestjes, UitgelichtComments (0)

Zieke man

Amerika is van een fiscale klif gestort. Omdat de Republikeinen en Democraten in het congres het niet voor de deadline eens werden over de juiste maatregelen, staan toeristen bij de nationale parken straks voor een dicht hek en moeten we wachten op de economische cijfers.

Het is een totaal onnodige flater, die puur en alleen het gevolg is van machtsspelletjes tussen politici die weigeren het belang van hun land voorop te stellen. Vooral de Tea Party lag dwars en schiet daarmee zichzelf in de voet. De heersende opinie: de politici hebben er een zooitje van gemaakt.

De leiders in China en Rusland lachen in hun vuistje. Tot een paar jaar geleden geloofde ik nog dat democratie zich als een olievlek zou verspreiden over de nog niet verlichte landen. In Afrika, in Latijns-Amerika, wie weet straks in Rusland en China. Van dat geloof is niets meer over. De ondemocratische mogendheden staan sterker dan ooit en opkomende landen kopiëren hun in plaats van ons systeem.

Je zou ze haast gelijk geven.

Het feest dat democratie heet lijkt steeds meer verworden tot een slaapverwekkend en tijdrovend ritueel. Een hoofdpijndossier. Dat wat ons sterker en zelfverzekerder zou moeten maken, maakt ons zwakker en weifelender.

De democratische samenleving van nu doet me denken aan een patiënt die lijdt aan een auto-immuunziekte: het afweersysteem is er om de mens te beschermen en gezond te houden, maar keert zich tegen zijn gastheer en doet die meer kwaad dan goed.

Nederlanders verlangen naar een sterke leider, bleek vorige maand uit een opiniepeiling. Dan maar iets minder democratie, als er maar meer duidelijkheid kwam. De burger is het gedraai zat. In crisistijd moeten er snel besluiten genomen worden, niet eindeloos onderhandeld en overlegd, zeker als de partijen alleen maar uit lijken te zijn op eigen gewin en het dwarsbomen van plannen van de ander.

In Ierland zijn ze alvast  op weg. Daar wordt binnenkort hoogstwaarschijnlijk de senaat afgeschaft. Te duur, vindt de regering. Te bureaucratisch. De Ierse senaat kan niets anders doen dan wetsvoorstellen vertragen. Het besluit levert 20 miljoen op en wordt vooral gebracht als een bezuiniging, maar er gaat ook een signaal vanuit: dit soort democratische instanties zijn niet meer van deze tijd.

Kijk naar wat voor situatie Nederland momenteel zit en het zal geen verbazing wekken als Maurice de Hond straks met een onderzoekje komt waaruit blijkt dat een meerderheid van de Nederlanders hetzelfde wil als de Ieren: afschaffen die eerste kamer. Minder democratie, meer besluitvaardigheid.

Nu is daarvoor nog best wat te zeggen, maar de vraag is wat de volgende stap zou zijn.

Is minder democratie inderdaad de oplossing? De enige manier om te concurreren met de hard rennende landen zonder blok aan hun been? Ik denk het niet. Mensen willen een leider met veel macht, zolang die doet wat zij zeggen. Dat is nou juist het akelige van sterke leiders: na een tijdje beginnen ze er sterke gedachten op na te houden, sterk aan hun positie te hechten en een sterke hekel te krijgen aan kritische geluiden.

Een samenleving kan alleen gezond blijven als er voldoende serieuze tegengeluiden zijn georganiseerd.

Wat we nodig hebben is niet minder democratie, maar een constructievere democratie. Het immuunsysteem moet niet gedempt of uitgeschakeld, maar terug in balans gebracht. De bal daarvoor ligt bij ons allemaal, maar allereerst bij de politiek.Zolang men in de parlementen van deze wereld met niets anders bezig lijkt dan op zichzelf staande spelletjes te spelen, elkaar te dwarsbomen om vooral niet de dalen in de peilingen en de kiezer op korte termijn plezier te doen, dan dan zal diezelfde kiezer zich nog meer van hen afkeren.

Dat is slecht voor de politiek, slecht voor de kiezer en slecht voor de samenleving.

Als we willen voorkomen dat we definitief afglijden naar de post-democratie waar Joris Luyendijk het steeds over heeft, of nog erger, een dictatuur waar één leider het voor het zeggen heeft, moeten de politiek zichzelf heel snel vernieuwen. Anders vrees ik dat we straks van een veel hoger klif gaan storten.

Dit artikel verscheen ook op www.vk.nl

 

Posted in Blog, Nieuws, UitgelichtComments (0)

A quest for poop

Catherine Duff had been looking forward to the meeting that was about to begin. The 57-year old former medical case manager from Carmel, Indiana traveled all the way to NIH headquarters in Bethesda, Maryland. It was May 2, today and tomorrow she would attend a public workshop hosted by the FDA, about Fecal Microbiota for Transplantation (FMT).

Duff had suffered from eight episodes of C. difficile and was finally cured by an FMT in 2010. She realized how lucky she was in being able to have the therapy. Many more Americans weren’t aware of FMT and even if they were, they had a hard time finding a doctor who was willing to perform the treatment, leaving aside their odds for reimbursement. Every year, 14.000 people in the US die because of a C. dif infection. This made Catherine decide to establish a patient advocacy organization: the Fecal Transplant Foundation.

At the meeting in Maryland, she hoped to meet peers who she could share experiences and join forces with, to spread the word about FMT. Walking through the entrance hall, Duff screening the attendance list and drew a disappointing conclusion: among doctors, scientists, regulators and industry representatives, she was the only patient.

Days before the workshop, the FDA announced that from that point on every physician executing a fecal transplant would require an Investigative New Drug application (IND). The FDA now regarded FMT as a drug which is not approved, which meant that any physician who wants to use it, should file this exemption from the FDA. This measure was aimed to battle medical cowboys and ensure treatment safety, but in reality, regular clinics would no longer be able to give the treatments, since acquiring an IND would take months. Crusty conversations between regulators and doctors and scientists dominated the meeting.

Catherine Duff had prepared a small speech for fellow patients. At the last day of the meeting, she fumbled up her notes, grabbed a new paper and rewrote it. The chairman promised her to give a sign when she would be allowed to speak. When her moment approached, Duff started sweating and hyperventilating. When she got the sign and her microphone switched on, she seemed unable to utter a word, did not believe she would be able to talk, but she rose and spoke. ‘I didn’t do the speech I had prepared, but I was having the points through’, Duff tells. ‘I said: I would hope anyone can receive the treatment, as long as they have a signed consent and a tested donor. Please, do something not only for me, but for all those around the country and everywhere […]. Please do something quickly.”

Catherine-Duff

During her speech, Duff could not bare to view her audience, but when she looked up after her last words, she saw the scientific panel in front stand up and clap. Half of them were crying. She turned around, the audience was clapping, most were crying. ‘Then I sat down, trying to keep from passing out,’ says Duff.

The whole meeting transformed. Doctors were more vocal. They demanded change. The debate went on until the lights were literally switched off. ‘Catherine’s appearance was absolutely critical,’ says Khoruts, who attended the meeting and contacted her after the meeting to offer his helping hand to Catherine’s foundation. ‘It definitely left an impression on the FDA officials.”

On July 18 the FDA published a new guidance, backing down from the IND requirement for FMTs treating C dificile infections. On its website, the organization stated: “In the weeks since the workshop, FDA has received numerous inquiries about the application of the IND regulations to the administration of FMT products, and many expressed concern about the use of these products under IND. FDA acknowledges these concerns and intends to exercise enforcement discretion regarding the IND requirements for the use of FMT to treat C. difficile infection not responding to standard therapies.”

The IND is still in place for infant treatments and for all other indications, but for as long as it takes, the C. dificile treatment is secured.

Nevertheless Catherine doesn’t leave it there. Here repetitive infections have made her lose her job, which means she can put all her time in running her foundation. She does  not rest before every patient in de US knows the ins and outs of fecal transplants, they will be able to get it and be reimbursed for it. There is still a long way to go.

 

This post accompanies a feature article I wrote for Science medicine called ‘the promise of poop’. Read the article  and a sidebar about regulatory issues concerning the therapy. A podcast about the article can be found here.

 

Posted in Allemaal beestjes, Blog, UitgelichtComments (0)

Linkerzak

In zijn zak zat een doosje en alleen hij kende de inhoud.
Af en toe stak hij zijn hand in die zak en friemelde eraan. Dan keek hij om zich heen, op zoek naar de blik van iemand, zomaar iemand. Een gevoel van macht en uniciteit. Alleen hij beschikte over dat wat hij hier had, en alleen hij beschikte over de kennis dat hij het in bezit had. Hij beschikte over het beslisrecht zijn geheim te delen met anderen, met de wereld. Eindeloos goed voelde dat, al had het ook wat triests, besefte hij: het draaide alleen om de mogelijkheid, en wanneer hij die mogelijkheid zou benutten was ie weg, voorgoed verdwenen.

Het zat in de linkerzak van zijn favoriete broek, die hij al jaren droeg. Een spijkerbroek, zo’n echte, verlopen, vaal blauw met gaten, maar van voor de tijd dat je ze zo in het winkelschap aantrof. Hij had ermee gewerkt in de mijnen van Colorado, op zoek naar goud. Een even zware als mooie periode in zijn leven. Elke dag stond op zich, stond voor nieuwe kansen, de kaarten waren opnieuw geschud. Elke dag stond ook voor nieuwe ontberingen, fysiek en mentaal. Voor het opnieuw op de proef gesteld worden van broze, op gelijke maar ook concurrerende belangen gebouwde vriendschappen. Meermalen raakte hij verstrikt en werd hij gered door een kameraad, meermalen werd hij verraden, beroofd, alleen achtergelaten in een spelonk. Zijn broek telt vele littekens uit die tijd, evenals zijn gezicht en armen.

Die linkerzak, daarin bewaarde hij altijd zijn verworven kostbaarheden. Links, dichtbij de hand van zijn sterkste en snelste hand, wanneer een verdedigende reactie nodig was. Links, omdat rechts de wanden zaten waarlangs hij schuurde op de weg terug omhoog. Links stond voor wat hij koesterde, rechts voor wat hij op het spel zette en riskeerde te verliezen.

Een paar keer was zijn linkerzak uitgescheurd. Te gretig, gulzig te was hij geweest, gestraft. De balans tussen je kans grijpen en jezelf beheersen, tussen links en rechts. Achteraf likte hij zijn wonden en naaide zijn zak dicht met van zijn overgebleven buit gekocht garen.

Goud is het niet, wat hij nu door zijn vingers laat glijden. Het is zachter, kwetsbaarder. Unieker ook. Hiervoor ging hij nooit een donkere spelonk binnen, daalde hij niet af, legde hij geen barre tocht af, waagde zijn leven niet, al zou hij het, wanneer het hem gevraagd werd, meteen doen. In zijn schoot geworpen kreeg hij het. Hij legt zijn hand eromheen, drukt die samen, en knijpt een traan uit zijn rechteroog.

Posted in Blog, UitgelichtComments (0)

De beestjes van onze beesten

Ook onze beesten hebben beestjes. En dat zijn niet zomaar bacteriën, nee die van hen komen behoorlijk overeen met de onze.  Dat blijkt uit een Amerikaanse studie van microbioompionier Rob Knight en consorten in het wetenschapstijdschrift eLIFE. Ik berichtte er gisteren al over op Nu.nl. Interessant aan deze studie is vooral te zien dat de bacteriën op onze huid, in dit geval ons voorhoofd en onze handen, sterk overeenkomt met die van anderen in onze omgeving, inclusief onze trouwe viervoeters. Voor de tong geldt dat al in mindere mate en de darmpopulaties zijn het meest verschillend.

Heel vreemd is dit niet. Onze huid staat continu bloot aan invloeden van buitenaf, waardoor er een constante aan- en afvoer van beestjes plaatsvindt: we pakken de deurkruk vast, aaien de hond, geven onze oudste zoon een schouderklopje en wassen onze handen voor het eten. Onze mond is meer afgesloten en de darmen zijn een soort afgesloten reservoir van verteringstroepen binnenin ons lichaam.

Het hebben van een hond vergroot dus het aantal bacteriën op onze huid. Dat is verrassend noch verontrustend. Ze zijn vrijwel nooit gevaarlijk. Sterker nog: het z0u wel eens gunstig kunnen zijn om een breder assortiment met je mee te dragen.

De vraag is natuurlijk of de bacteriën op onze huid ondanks hun opportunistische aard en beïnvloedbaarheid ook een belangrijke rol spelen bij het in balans houden van ons lichaam. Van de darmbacteriën weten we dat al. Het vermoeden is dat de huidbacteriën als een soort nomaden heersen over onze huid, maar kunnen ze die taak wel uitvoeren als ze steeds als een soort tijdelijke werkkrachten worden ingezet en afgeschreven?

Het onderzoek naar dit soort interacties staat nog in de kinderschoenen. Dat er signalen over en weer worden gestuurd is al duidelijk, maar wat die precies inhouden niet. In C2W Lifescience schreef ik pas nog dat de huidbacteriën immuuncellen kunnen aanrukken. Daarover schreven andere Amerikaanse onderzoekers in Science.

Er zijn ook  aanwijzingen dat juist de huidbacteriën een belangrijke rol spelen bij het afstellen van ons immuunsysteem in onze vroege jeugd. In die periode leert ons immuunsysteem het onderscheid te maken tussen vijanden en vrienden, tussen indringers en ons eigen lichaam. Een matige afstelling leidt tot een haperende of juist overactief immuunsysteem, met auto-immuunziekten en allergieën tot gevolg.

Het team van Knight sluit er de publicatie in eLIFE mee af: kinderen kunnen er baat bij hebben op te groeien met huisdieren, omdat ze dankzij die dieren met een rijkere bacteriepopulatie kennismaken. Dat zou wel eens de reden kunnen zijn dat die kinderen minder allergieën ontwikkelen dan hun leeftijdsgenootjes die pas op hun achtste na veel zeuren een huisdier krijgen.

Posted in Allemaal beestjes, UitgelichtComments (0)

Fietsenspeciaalzaak

‘Je gebruikt hem intensief hè?’ De jongen kwam achter de balie vandaan en bekeek mijn vouwfiets van top tot teen. Met de pen tussen zijn zwarte vingers krabbelde hij aantekeningen op een papiertje. ‘Klopt’, zei ik. Hij keek op. ‘Dan is ie ook wel wat onderhoud waard, inderdaad.’ Ik knikte.

Sinds ik dagelijks met mijn vouwfiets naar mijn werk en klussen elders in het land rij, heb ik een vaste fietsenmaker. Geen standaard rijwielenoplapper met een collectie veel te dure tweedehandsjes voor de deur en een lucht van sigaretten in de werkplaats. Hier staat de zaak vol met glanzende racefietsen en design vehicles. Hier hebben de werknemers, ook de jonge jongens, liefde voor hun vak en écht verstand van fietsen.

Zo eens in de vier maanden breng ik mijn fiets hier ter controle. Dan lopen ze hem helemaal door, vervangen de onderdelen die daar aan toe zijn en stellen alles weer optimaal af. Zodat ik er weer een tijd tegenaan kan.

Tot ik deze vlak bij mijn huis om de hoek ontdekte, had ik geen goede ervaring met fietsreparaties. Fietsenmakers, dat waren jongens die het werk deed waar je zelf geen zin in had, maar meestal niet eens de moeite namen om te controleren of ze je euvel daadwerkelijk verholpen hadden. Ze kwamen er altijd weer mee weg, want iedereen kiest toch weer de goedkoopste of dichtsbijzijnde zaak en zulke fietsenmakers gaan echt hun best niet doen om boven de rest uit te stijgen. Dankzij die cultuur heb ik het al meerdere keren meegemaakt dat ik wegfietse en honderd meter verder al weer met een vastlopende handrem of aanlopend wiel werd gefonfronteerd. Toch was ik hardleers. Bleef ik op brakke fietsen rondrijden, dacht alleen op aan de korte termijn.

Tegenwoordig weet ik beter. Ik zocht en vond de uitzondering. Fietsenspeciaalzaken zoals die bij mij om de hoek. Snel Tweewielers, heet ie. al was ‘Goed Tweewielers’ meer van toepassing geweest. Binnenlopen voor een last-minute reparatie hoef ik niet te doen, tenzij het echt spoed heeft, of ik een schroefje nodig heb. Anders kom ik in de agenda, twee weken vooruit. Zo volgeboekt zit deze fietsenmaker – er zijn meer mensen die begrijpen wat kwaliteit is. Ik hou er rekening mee. Ik heb het ervoor over.

Goedkoop is mijn fietsenmaker ook niet. Vanmiddag rekende ik weer af voor mijn servicebeurt. Nieuwe ketting, nieuw achtertandwiel, wat uurloon erbij. Ik bekeek de rekening, slikte even vanwege het totaalbedrag, maar stelde geen vragen. Kwaliteit mag wat kosten.  Tevreden trok ik het reparatiebonnetje van mijn stuur en bedankte de jongen achter de balie. “Graag gedaan,” zei hij. “En tot de volgende keer maar weer.”

Posted in Blog, UitgelichtComments (0)

Zo kan het ook

Of ik ook goede ervaringen heb met chefs. Natuurlijk, bijna dagelijks. Of ik ze op een rij kon zetten, je weet wel, als goed voorbeeld voor anderen. Als klein digitaal speldje voor op hun revers. Een virtueel trofeetje voor naast hun beeldscherm. Dat kan ik wel. Een top tien wordt het niet, wel een rijtje voorbeelden van hoe het óók kan, in willekeurige volgorde. Doe er uw voordeel mee.

1 De brainstorm

Toegegeven, de eerste keer – ik voelde me nog student – kwam ik voor de gratis borrel na afloop. Maar zowaar, die brainstorms die Vivianne Bendermacher bij KIJK organiseerde waren nog nuttig ook. De redactie kon ons weer even op de hoogte stellen van de laatste ontwikkelingen, wij freelancers gingen elk naar huis met een tas vol ideeën die we de komende maanden konden gaan uitwerken. Het moet gezegd: de laatste sessie is al weer even geleden. Tijd om de draad weer op te pakken?

2 Het spoedoverleg

Soms heb je dat: je hebt je research zó grondig gedaan, zit zó goed in het onderwerp dat je stuk er niet beter, maar juist taaier van wordt. Op die manier worstelde ik met mijn achtergrondstuk voor Intermediair over de wereldwijde visstanden. Belangrijke wetenschap, want de quota voor vissers worden erop gebaseerd. Bovendien een onderwerp waar ik diep ingedoken was. Toch stuurde ik het stuk op met een ongemakkelijk gevoel in mijn buik. Dat gevoel klopte. Ik had mijn stuk felrood terug kunnen krijgen. Ze hadden het kunnen afschieten en snel zelf iets kunnen schrijven. Niets van dit alles. Chef Kees Versluis belde me op: of ik het misschien zag zitten om langs te komen? Dan zouden we het stuk met de eindredacteur doorlopen en kwamen we er vast wel uit. Zo geschiedde.

3 De voicemail

Ik weet het nog precies. Ik liep op station Utrecht centraal, grabbelde mijn telefoon op uit mijn tas en zag de boodschap: voicemail. Een gat in de lucht springen durfde ik niet in de chagrijnige forensenmassa, een klein hupje maakte ik wel, met een dikke grijns. Het bericht kwam van Jonna ter Veer, toen nog chef reportage van Marie Claire en voor mij een onbekende. Ze had met interesse mijn stuk in NRC Handelsblad gelezen over de invloed van de pil op de partnerkeuze van vrouwen. Dat wilde zij ook hebben, voor haar blad. Of ik het nog een keer kon opschrijven. Daar hou ik dus van: een assertieve chef.

4 De barbecue

Bedrijfsuitjes, etentjes, teambuildingsmiddagen, heisessies. Je weet wel, van die dingen waar alleen vaste redacteuren bij mogen zijn. Freelancers missen het niet, zeggen ze steevast hooghartig. Zij organiseren hun eigen borrels en die zijn véél wilder. Dat is waar natuurlijk, maar dat neemt niet weg dat samen spelen pas echt fijn is. Verblijd was ik dus, met de uitnodiging voor de jaarlijkse barbecue van Veen Media dit jaar. Uitgever van NWT en Bright, maar, zo ontdekte ik al kauwend op grote garnalen en malse paardenbiefstuk, ook Maarten, Filosofie Magazine en Jamie. Geen chef, maar de directeur, Leo Schaap, die ertoe besloot “omdat de freelancers er anno nu gewoon echt bij horen”. Gelijk had ie.

5 Het tussendoorzinnetje

Het lijkt zo’n overbodig zinnetje, dat tussen neus en lippen door in de briefing sluipt. Toch was ik blij dat ik het Bright-chef Erwin van der Zande hoorde zeggen, toen hij me briefte voor een interview met Intel-futuroloog Brian David Johnson. ‘Bel gerust even als je tussendoor wil sparren.’ Natuurlijk kan dat altijd. Natuurlijk is dat waarschijnlijk niet nodig. Maar wanneer doe je het ook echt? Die keren dat je het overweegt ervaar je toch een drempel. Het voelt als een nederlaag, een streepje achter je naam. Nu was ik blij, voelde het als een aanbod dat ik niet kon afslaan. Zonder enige gene tikte ik zijn nummer in. Meer dan vijf minuten hadden we niet nodig.

6 De kleine attentie

Hoe makkelijk is het om een prima stuk gewoon in de opmaak te laten glijden. Te melden dat het binnen is, en vervolgens verder te gaan met de orde van de dag. Wat ben ik blij dat dat niet altijd het geval is. Zijn er ook chefs, best veel eigenlijk, die er wel aan denken even een complimentje te geven wanneer ze positief verrast waren, of gewoon wederom verblijd. Een zinnetje kan al genoeg zijn om de dag van de freelancer te zegenen. Chef, als je dit leest en jezelf herkent: deze is voor jou!

+1 En dan nu, het reservegetal. Het liefst had ik hem gewoon ‘7’ genoemd. Had ik een mooie anekdote opgelepeld om te illustreren hoe ik dit waardeer. Maar helaas, al graaf ik nog zo diep, uit mijn freelancetijd, de tijd dat ik van huis of kantoor uit werkte, kan ik me zo’n moment niet herinneren: het feedbackmoment.
Ik beken: zelf heb ik er ook nooit om gevraagd. Zo’n sessie waarin je een paar artikelen doorspreekt. Sterke en zwakke punten langsloopt. Op nieuwe ideeën komt, tot zelfinzicht waarmee je je journalistieke werk naar een hoger plan tilt, met in elk geval twee grote winnaars: jij én je chef. Misschien moet ik het maar eens voorstellen.

Posted in UitgelichtComments (0)

Nieuwezijdelingen

Het begon aan een keukentafel, ergens in een Amsterdams appartement. Of eigenlijk, toen begon het voor mij, want het idee was al eerder ontsproten. We waren met een stuk of zes. We aten chocola en chips en dronken wijn, ik verorberde mijn meegebrachte salade met garnalen. Dat mocht ook. Ondertussen spraken we over wat ons bijeen had gebracht: een nieuw blad.

Nieuwezijds moest het gaan heten, en nee dat ging geen probleem geven omdat er ook een uitgever met die naam was. Nieuwezijds Magazine zou zich vanzelf gaan onderscheiden, met journalistieke verhalen over Amsterdammers, en over hun toekomst. Over duurzaamheid en kleinschaligheid, over de kracht van mensen dichtbij. Over het verdienmodel hoefden we niet na te denken, dat deden zij en haar partner in crime, Michiel Bergman.

Wij gingen het vullen.

Co-oprichtster Liedewij Loorbach, net als de meeste andere aanwezigen een gefrustreerd Paroolfreelancer vanwege steeds minder ruimte en steeds minder verdieping, zag het helemaal voor zich: wij gingen die verhalen maken die op elke Amsterdamse straathoek voor het oprapen liggen, maar niet meer worden opgeraapt. Kwaliteitsjournalistiek over onze eigen wereld, een verfrissende blik op onze eigen horizon.

Was ik vooraf nog wat cynisch geweest over dit wilde plan, naarmate de avond vorderde werd ik steeds positiever. Of het de reserva tinto was, of het ontembare enthousiasme van onze aanstaande chef? Ik weet het niet. Feit is dat we na die avond ieder onze weg gingen, aan de slag, en dat sinds afgelopen donderdag op zo’n tweehonderd plekken in de stad een nieuw gratis tijdschrift ligt te stralen, in een oplage van 15.000 stuks en een even gratis webversie.

We hadden die twee ook voor gek kunnen verklaren. Dat mag je trouwens nog steeds doen, want dat het blad gedrukt, verspreid en wellicht door wat mensen gelezen is, wil anno 2013 nog niet zeggen dat de buit binnen is. Het is misschien tegen beter in dat de twee het er in deze tijd op hebben gewaagd, maar Nieuwezijds is ook van nu: in een ogenschijnlijk steeds groter groeiende en sneller draaiende wereld, zoeken we weer naar samenhang en verdieping dichtbij.
Nieuwezijds is bovendien een initiatief van freelancers, met eigen ideeën en gemeenschappelijke drijfveren, die elkaar moeiteloos weten te vinden en inspireren. Een blad met een hart en een ziel, geen lege huls opgevuld met glimmende foto’s en catchy bijschriftjes. Het is ook een signaal aan redacties die niet investeren in de relatie met hun freelancers: als het zo moet, dan doen we het wel zonder jullie.

Anderhalve maand na die eerste brainstorm kwamen we weer bij elkaar, dit keer aten we bietensoep en couscoussalade, en weer kwamen de ideeën. Zo hoort een blad gemaakt te worden, zo komen freelancers tot hun recht: in een creatieve setting, aangejaagd door een chef die gaat voor haar blad.

Ik ploegde en zwoegde voor mijn artikel in nummer twee, over de Amsterdamse luchtkwaliteit. Sprak vijf bronnen. Fietste heel Amsterdam door, van meetpunt naar meetpunt. Het duizelde me van de cijfers en rapporten, maar ik ging door, omdat ik het waard vond.

Of Nieuwezijds Magazine gaat slagen? Niemand weet het. Maar aan ons, Nieuwezijdelingen,zal het in elk geval niet liggen.

Posted in Blog, UitgelichtComments (0)

Levenslessen

Het leuke aan dit blog is dat het me dwingt tot de nodige zelfreflectie. Ik denk na over wat ik fijn en minder fijn vind aan mijn vak, en beleef alle dagelijkse werkzaamheden net wat bewuster dan normaal. Het is als een reisverslag: alleen al door dat bij te houden, maak je je vakantie de moeite waard.

Al metadenkend kwam ik vandaag tot de kern van de liefde voor mijn vak: je leert van alles over jezelf en de wereld om je heen. En je wordt er nog voor betaald ook.

Zo leerde ik vandaag dat multitasken een mythe is, vooral voor fervente multitaskers. Juist zij die het nauwelijks doen, die kunnen het. Op basis van eigen ervaring kan ik zeggen: het geldt ook bínnen een persoon. Op dagen dat ik het meest multitask, zou ik het eigenlijk niet moeten doen. Maar ja, zeg dat maar eens tegen die muishand die steeds weer naar dat andere schermpje klikt.

Ik leerde nog wat vandaag: dat Facebooken goed voor je zelfvertrouwen is, tenzij je alleen toekijkt en zelf geen berichten achterlaat. Dan word je er jaloers, zuur en eenzaam van. Alsof je achter glas zit te kijken naar een feestje waar ál je vrienden zijn.

Eenvoudige wijsheden zijn het, waarmee je vaak ook nog eens hoge ogen gooit in de kroeg. Ik stond eens uitgebreid te vertellen over de invloed van de pil op de vrouwelijke partnerkeuze, hing er ineens een groepje fronsende kortgeknipte vrijgezelle vijfendertigplusdames aan mijn lippen. En wanneer ik vrolijk vertel dat de Seven Year Itch écht bestaat – sterker nog, dat er veel meer itches je relatie bedreigen – steel ik ook steevast de show.

In een column van NRC-collega Ellen de Bruin (op papier, dus sorry Ellen, ik kan niet naar je linken) las ik deze week iets interessants.  Ze schreef over twee soorten passie, op basis van een artikel in het tijdschrift Journal of Personalityand Social Psychology: de gewone, harmonieuze passie, en de kwaadaardige, ook wel obsessie genoemd.

De goedaardige is op een prettige manier geïntegreerd in je leven en laat ruimte over voor partner, vrienden en misschien zelfs het huishoude. De kwaadaardige overwoekert al het andere, als een tumor. Dat type put je langzaam uit. Het verraderlijke is dat we van een afstandje de obsessie vaak aanzien voor een passie, de gepassioneerde, nee obsessieveling op een voetstuk plaatsen om vanaf daar direct in zijn spreekwoordelijke graf te kunnen springen.

Die obsessieve passie komt veel vaker voor dan je denkt. Ik durf zelfs te stellen dat sommige prestaties zonder obsessie niet mogelijk zijn. Maar ja, je wordt er dus wel vrij ongelukkig van.

Wat de psychologen erbij vermelden: obsessief werkgedrag komt vooral veel voor in competitieve omgevingen. Als freelancer moet je sterk in je schoenen staan om je omgeving niet als competitief te ervaren, en dus op een goedaardige manier gepassioneerd te blijven. Zeker als ze van  nature fanatiek of onzeker aangelegd zijn.

Het deed me denken aan een heel ander onderzoek, naar muizen die holen graven. Sommige muizen graven extreem ingewikkelde gangenstelsels, terwijl anderen zich tevreden stellen met een eenvoudige tunnel. Genetici ontdekten dat die gangenstelselgravers dat niet voor hun plezier doen, maar een dwangmatige behoefte lijken te hebben om te graven. Zelfs als dat niet nodig is. Dat is net zoiets als toch je laptop openklappen, terwijl je die avond eens niks hoeft af te maken of uit te zoeken.

Bij de muizen bleek die dwangmatigheid genetisch. Aangeboren dus. Zijn fanatieke freelancers dan gedoemd succesvol en ongelukkig te zijn? Dat geloof ik niet. De aard van het beestje zal niet verdwijnen, maar we kunnen best onze grenzen vinden, al zal het altijd opletten blijven. Zoals iemand die snel dik wordt heel zijn leven op dieet moet om niet aan te komen.

Gelukkig is er ook een wetenschappelijk verantwoorde geruststelling: we onderschatten de mate waarin we naar de toekomst toe veranderen. Om de een of andere reden gaan we er vanuit dat we in de jaren die achter ons liggen zijn ontwikkeld tot wie we nu zijn, en daarmee basta. Gelukkig is dat niet waar. Hoe zeer we ons er ook tegen verzetten, langzaam maar zeker worden we wijzer en rustiger (en minder energiek en cynischer, dat ook).

Dat doen we door in nieuwe levensfasen te belanden, en door een voor een die levenslesjes in te bouwen die we al werkend opdoen. Er is dus hoop. Ik vind dat fijn, want ja, ik doe hard mijn best mijn fanatisme te temmen. Het lukt me aardig. Al zit ik dit blogje wel weer af te maken op mijn laptop, aan de eettafel, ‘s avonds om een uurtje of tien.

Posted in Blog, UitgelichtComments (0)

Jopinie @ Twitter

PHVsPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZHNfcm90YXRlPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzE8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjVhLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzI8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjViLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzM8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjVjLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzQ8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjVkLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX21wdV9hZHNlbnNlPC9zdHJvbmc+IC0gPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfbXB1X2Rpc2FibGU8L3N0cm9uZz4gLSB0cnVlPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfbXB1X2ltYWdlPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tL2Fkcy8zMDB4MjUwYS5qcGc8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF9tcHVfdXJsPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfdG9wX2Fkc2Vuc2U8L3N0cm9uZz4gLSA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF90b3BfZGlzYWJsZTwvc3Ryb25nPiAtIHRydWU8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF90b3BfaW1hZ2U8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzQ2OHg2MGEuanBnPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfdG9wX3VybDwvc3Ryb25nPiAtIGh0dHA6Ly93d3cud29vdGhlbWVzLmNvbTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX3VybF8xPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfdXJsXzI8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb208L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF91cmxfMzwvc3Ryb25nPiAtIGh0dHA6Ly93d3cud29vdGhlbWVzLmNvbTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX3VybF80PC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWx0X3N0eWxlc2hlZXQ8L3N0cm9uZz4gLSBkYXJrYmx1ZS5jc3M8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hdXRob3I8L3N0cm9uZz4gLSBmYWxzZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2F1dG9faW1nPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2N1c3RvbV9jc3M8L3N0cm9uZz4gLSA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19jdXN0b21fZmF2aWNvbjwvc3Ryb25nPiAtIDwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2ZlYXR1cmVkX2NhdGVnb3J5PC9zdHJvbmc+IC0gVWl0Z2VsaWNodDwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2ZlYXRfZW50cmllczwvc3Ryb25nPiAtIDE8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19mZWVkYnVybmVyX2lkPC9zdHJvbmc+IC0gPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fZmVlZGJ1cm5lcl91cmw8L3N0cm9uZz4gLSA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19nb29nbGVfYW5hbHl0aWNzPC9zdHJvbmc+IC0gPHNjcmlwdCB0eXBlPVwidGV4dC9qYXZhc2NyaXB0XCI+DQoNCiAgdmFyIF9nYXEgPSBfZ2FxIHx8IFtdOw0KICBfZ2FxLnB1c2goW1wnX3NldEFjY291bnRcJywgXCdVQS0yMTIyMzIwNS0xXCddKTsNCiAgX2dhcS5wdXNoKFtcJ190cmFja1BhZ2V2aWV3XCddKTsNCg0KICAoZnVuY3Rpb24oKSB7DQogICAgdmFyIGdhID0gZG9jdW1lbnQuY3JlYXRlRWxlbWVudChcJ3NjcmlwdFwnKTsgZ2EudHlwZSA9IFwndGV4dC9qYXZhc2NyaXB0XCc7IGdhLmFzeW5jID0gdHJ1ZTsNCiAgICBnYS5zcmMgPSAoXCdodHRwczpcJyA9PSBkb2N1bWVudC5sb2NhdGlvbi5wcm90b2NvbCA/IFwnaHR0cHM6Ly9zc2xcJyA6IFwnaHR0cDovL3d3d1wnKSArIFwnLmdvb2dsZS1hbmFseXRpY3MuY29tL2dhLmpzXCc7DQogICAgdmFyIHMgPSBkb2N1bWVudC5nZXRFbGVtZW50c0J5VGFnTmFtZShcJ3NjcmlwdFwnKVswXTsgcy5wYXJlbnROb2RlLmluc2VydEJlZm9yZShnYSwgcyk7DQogIH0pKCk7DQoNCjwvc2NyaXB0PjwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2hvbWU8L3N0cm9uZz4gLSBmYWxzZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2hvbWVfdGh1bWJfaGVpZ2h0PC9zdHJvbmc+IC0gNTc8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19ob21lX3RodW1iX3dpZHRoPC9zdHJvbmc+IC0gMTAwPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29faW1hZ2Vfc2luZ2xlPC9zdHJvbmc+IC0gZmFsc2U8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19sb2dvPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvOS1sb2dvLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX21hbnVhbDwvc3Ryb25nPiAtIGh0dHA6Ly93d3cud29vdGhlbWVzLmNvbS9zdXBwb3J0L3RoZW1lLWRvY3VtZW50YXRpb24vZ2F6ZXR0ZS1lZGl0aW9uLzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3Jlc2l6ZTwvc3Ryb25nPiAtIHRydWU8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19zaG9ydG5hbWU8L3N0cm9uZz4gLSB3b288L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19zaG93X2Nhcm91c2VsPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3Nob3dfdmlkZW88L3N0cm9uZz4gLSBmYWxzZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3NpbmdsZV9oZWlnaHQ8L3N0cm9uZz4gLSAxODA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19zaW5nbGVfd2lkdGg8L3N0cm9uZz4gLSAyNTA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb190YWJzPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3RoZW1lbmFtZTwvc3Ryb25nPiAtIEdhemV0dGU8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb191cGxvYWRzPC9zdHJvbmc+IC0gYTo3OntpOjA7czo1NToiaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvOS1sb2dvLmpwZyI7aToxO3M6NjU6Imh0dHA6Ly93d3cuam9waW5pZS5ubC93b3JkcHJlc3Mvd3AtY29udGVudC93b29fdXBsb2Fkcy84LWxvZ28uanBnIjtpOjI7czo2NToiaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dvcmRwcmVzcy93cC1jb250ZW50L3dvb191cGxvYWRzLzctbG9nby5qcGciO2k6MztzOjY1OiJodHRwOi8vd3d3LmpvcGluaWUubmwvd29yZHByZXNzL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvNi1sb2dvLnBuZyI7aTo0O3M6NjU6Imh0dHA6Ly93d3cuam9waW5pZS5ubC93b3JkcHJlc3Mvd3AtY29udGVudC93b29fdXBsb2Fkcy81LWxvZ28ucG5nIjtpOjU7czo2NToiaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dvcmRwcmVzcy93cC1jb250ZW50L3dvb191cGxvYWRzLzQtbG9nby5wbmciO2k6NjtzOjY1OiJodHRwOi8vd3d3LmpvcGluaWUubmwvd29yZHByZXNzL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvMy1sb2dvLnBuZyI7fTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3ZpZGVvX2NhdGVnb3J5PC9zdHJvbmc+IC0gU2VsZWN0IGEgY2F0ZWdvcnk6PC9saT48L3VsPg==