Oma, op het hellend vlak

Een glimp van toen    14 januari 2009

 

‘Leuk dat je er bent joh, zomaar ineens!’
Met een grote glimlach zit mijn oma naast me op de bank, terwijl mijn opa koffie en chocolademelk inschenkt. Al tijden had ik rondgelopen met het idee weer eens iets met mijn grootouders te gaan doen. Vandaag was het er eindelijk van gekomen.

De laatste tijd is mijn oma steeds meer in de war. Sinds een paar jaar gaat haar geheugen achteruit, en de tijd lijkt steeds grotere en brutalere hapjes te nemen. De symptomen komen, en confronteren.

Elke dag begint ze weer over de brief die mijn opa naar haar werk moet schrijven, dat ze niet meer komt. Ze is 81. Laatst verbaasde het haar hoe de schilderijen in de gang leken op die van hun. Ze was thuis. Ik woon in haar gedachtenwereld nog steeds in Den Haag, en onze vriendinnen noemt ze steevast bij de verkeerde naam.

Regelmatig belde ik de laatste tijd, en nam mijn opa op. ‘Hoe gaat het?’ vroeg ik dan, terwijl ik het antwoord al wist. ‘Tja, met mij wel goed, en met je oma minder.’ Het is triest voor mijn opa, dat hij haar met de dag verder uit zijn handen, uit het heden ziet glippen. Wegglijdend in het verleden, wegglijdend in een schimmige wereld zonder besef van tijd en ruimte. Hij weet het, dat hij de volgende keer dat ik bel weer hetzelfde antwoord zal geven. Het is ook triest voor haar, want ze merkt het, ze weet het, ze voelt het. Ze takelt af.

Vandaag is mijn oma opgewekt. Ze lijkt haast een beetje zenuwachtig.
‘Moet ik helpen?’ Roept ze vanuit haar stoel, terwijl mijn opa in de keuken drie eieren bakt. ‘Nee, blijf jij maar lekker zitten.’
‘Kan ik iets halen?’
‘Nee, het gaat helemaal goed!’
Ik merk dat ze het echt leuk vindt, dat ik vanochtend aan de telefoon zomaar voorstelde naar de film te gaan. In de krant las ik een stukje over de film Oorlogswinter, en had meteen aan mijn grootouders gedacht.

Mijn opa, nog altijd kwiek en fris van geest, is er altijd duidelijk over geweest: de oorlog heeft een groot stempel op zijn leven gedrukt. Hij groeide erin op, en raakte eraan verslingerd. Voor mijn oma zat het iets anders. Zij maakte de hongerwinter mee. Veel vertelde ze er ons niet over, behalve dat ons bordje helemaal leeg moest zijn voor ze het naar de keuken bracht.

Altijd bezig was ze, tot ze werd gedwongen stil te zitten, omdat haar benen niet meer wilden. Nu is ze nog altijd onrustig, op verjaardagen en andere bezoekjes. Alsof ze elk moment wil opstaan om de afwas te gaan doen, of de koffie aan te zetten. Het heeft haar depressief gemaakt, dat ze dat niet meer kan. Ze voelt zich nietig, overbodig, knullig ook, als ze niet verstaat of begrijpt wat anderen zeggen.

Soms heeft mijn oma nog heldere momenten. Dan is ze weer even die krachtige, meelevende vrouw van weleer, alsof ze ineens opveert uit haar stoel en vergeet hoe erg ze de afgelopen jaren is achteruit gegaan. Dan vang ik een glimp op van hoe ik haar zo graag zou willen herinneren, van toen.

Het leek me dan ook niet zo’n slecht plan, om naar een film te gaan die de jeugd van mijn grootouders naar boven haalde. Jonger dan ik nu ben, waren ze toen.
En ja, het werkte. Vroeg mijn oma vooraf nog drie keer hoe de film heette, eenmaal binnen was ze al snel stil, zonder in slaap te vallen zoals thuis zo vaak. Met mijn opa grinnikte ik om het feit dat alle andere bezoekers die na ons in de bioscoop waren gaan zitten een standje kregen van de kaartjesdame – wij hadden immers een gehandicapte bij ons. Af en toe vertelde hij iets, over het type vliegtuig of woorden die ze toen niet gebruikten. Of ik vroeg ergens naar, uit zijn eigen geheugen. Mijn opa prees het verhaal zoals alleen hij dat kan (‘Heel aardig in elkaar gezet’).

We genoten, van de film, van het spontane dagje uit. En mijn oma? Ze voelde zich weer jong, zo jong als de helden in de film. Een beetje naar vond ze het wel, dat er mensen dood moesten. Maar de beelden brachten haar ook tot leven, deden haar denken aan die tijd, toen ze nog jong en krachtig was. ‘Ja,’ mompelde ze toen we naar de uitgang liepen, ‘je zou er zo weer naast willen staan.

 

 

De oma die mijn oma niet meer is    15 februari 2009

 

‘Vraag even wat we moeten zingen,’ had ze gevraagd.
‘Stil nou, ik hoor de dominee niet goed.’
‘Je moet wel even gaan staan hoor, als je uit de Bijbel leest.’
‘Mevrouw, wilt u misschien even weg gaan, u verstoort de eredienst.’
‘Vraag even aan de organist wat we gaan zingen. Toe nou, vraag even…’

Met een knoop in hun maag hadden mijn ouders het aangehoord. Doordringen tot haar probeerden ze, terwijl ze daar zat in haar rolstoel. Opgesloten in haar stoel – mijn oma. Opgesloten, om zichzelf te beschermen.

‘De zaal waarin ze ondergebracht is, werd vroeger gebruikt voor kerkelijke bijeenkomstenkomsten, dat zal het wel zijn,’ had mijn opa gezegd.
Tegen mijn oom en tante had ze een dag eerder aan één stuk geklaagd over het rookgedrag in het gebouw. Dat liep toch echt de spuigaten uit, en het werd er toch zo warm van!

Het gaat slecht met mijn oma. Ze is weg, weg uit de realiteit, weg uit het nu. Mist de aansluiting, leeft in haar eigen wereldje.

Alles wat de familie kan doen is meeleven, meedoen, er het beste van maken. Zoals mijn vader, die zocht naar de belijdenis van Petrus, in het bijbeltje waaruit ze wilde horen. Zoals mijn broertje, die vertelde dat het erg gezellig was op schoolkamp. En zoals mijn moeder, die vertelde dat mijn oudste broer inderdaad flink gegroeid was.

Mijn opa noemt het een legpuzzel die uit elkaar gevallen is. Losse flarden komen langs, wanneer ze probeert gesprekken op gang te brengen, of in elk geval de stilte te doden. Geen herhalende patronen, zoals bij haar kamergenoten, maar kreten zonder enig verband. Lijdzaam toezien, dat is alles wat hij nog kan doen.

En ik? Ik vind het moeilijk. Ik wil er heen, ik moet er heen. Maar sinds mijn oma is opgenomen in het ziekenhuis, en daarna overgeplaatst werd naar het verzorgingshuis, heb ik haar nog niet opgezocht. Zelfs mijn opa niet gesproken, al probeerde ik hem al twee keer te bellen. Ik voel een drempel, vanwege die mooie avond, nu precies vier weken geleden, op de valreep van haar bewuste bestaan.

Het voelt ver weg, dat wat ik over haar hoor. Ik wil het dichterbij halen, maar toch ook niet. Ik denk terug aan die dag dat mijn andere oma begraven werd, ruim tien jaar geleden nu. Heel even mochten we nog kijken in de kist. Mijn broers gingen, maar ik bleef buiten. Ik hield dat vredige beeld vast, van mijn kwieke oma, zoals ze was, vlak voordat het in twee dagen tijd hard bergafwaarts met haar ging en haar tumor bezit van haar nam.

Eenzelfde beeld koester ik nu van mijn levende oma. Het knaagt aan me, dit dilemma. Ik kan het niet maken, en wil het ook niet: haar nooit meer zien. Maar de anekdotes doen pijn, ontluisteren. Ik wil geen oma in mijn herinnering die mijn oma niet is. Ook al was ze al jaren niet meer zoals vroeger, ze was nog wel een mens, met haar kwetsbaarheid, haar betrokkenheid, maar ook haar kracht.

Maar ik wil ook niet vluchten, niet wegduiken. Wil laten zien dat ik aan haar denk, haar niet vergeet, niet zomaar afschrijf. Misschien niet voor haar, maar wel voor mijn familie, voor mijn opa, voor mezelf.

Dan zal ik haar zien zitten, gevangen in de rolstoel. Lichaam op een plaats, geest overal en nergens. En zal ik moeten accepteren, dat de werkelijkheid nu eenmaal vaak minder prettig is dan een mooi beeld in je hoofd.

Zorgzaam, tot de laatste minuut    23 februari 2009

 

Ik had er tegenop gezien, en langzaam liep ik dan ook van de bushalte naar het grote verzorgingstehuis. Nadenken over wat ik zou aantreffen deed ik even niet, dat had ik de hele nacht al gedaan. Mijn hoofd was leeg nu, mijn benen een tikkeltje zwaar.

De wijd uitgestekte tuin door, met bankjes voor die paar bejaarden die nog verder kwamen dan de gang en de woonkamer. Door de sluis van automatische deuren, die was bedoeld om de warmte binnen te houden,maar mij deed denken aan een wildrooster.
Ik zie het nog precies voor me, hoe ik naar binnenliep, en verder richting afdeling de Esch. Hoe er een man naast me ging lopen, en vroeg voor wie ik kwam. ‘Mevrouw Helleman? Die ken ik waarschijnlijk wel van gezicht.’ Iedereen kent elkaar hier alleen nog van gezicht, dacht ik toen.

Ik zie de lange gangen die ik door ging, voel de warmte op mijn wangen. Ruik die geur weer, die geur die huiselijkheid leek te willen uitstralen, maar daar niet in slaagde.
Overal om me heen beeldde ik me bordjes in, met ‘memento mori’ erop: gedenkt te sterven. Verpleeghuizen, dat zijn huizen waar je als bezoeker door de ingang naar buiten moet, omdat de uitgang alleen voor de bewoners bedoeld is.

Het bordje vertelde me dat ik er was. Ik keek om me heen en zag een woonkamer vol apathisch voor zich uit starende dames, een enkele heer. Een hard werkende jonge meid, die van mij meteen al meer respect kreeg dan alle Idols-talenten en fotomodellen bij elkaar.
En daar, achterin de gang, alleen, mijn oma. Ik liep naar haar toe, met een vreemd gevoel in mijn buik.

Warrig, maar toch ook monter keek mijn oma op. ‘Goh, wat leuk dat je er bent, murmelde ze, ‘daar had ik niet op gerekend.’
Onderuitgezakt in haar stoel zat ze, tegengehouden door de plank voor haar buik.
Op de rand van haar rolstoel leunde een uitgeklede pop. ‘Ja, die heb ik gepikt van een andere mevrouw. Dat doe ik niet gauw, maar nu moest het.’ Ik fronsde mijn wenkbrauwen en wilde gaan zitten op de stoel die tegenover haar in het hoekje van de gang stond.

‘Hang je jas aan de kapstok.’ Ze wees naar de muur. Geen kapstok te bekennen. Na enige twijfel hing ik mijn jas aan de stang en wilde alsnog gaan zitten.
‘We kunnen wel naar binnen gaan,’ zei mijn oma.
‘Euh, nou, volgens mij zitten we wel prima zo.’Ze haalde haar schouders op. ‘Ach het is wel prima zo.’

En toen begon mijn oma te praten. Over dat het zo’n ruzie was in de kerk, dat zij er maar niks van gezegd had, over dat ze gisteren appeltaart had gebakken, over het perkje, dat ze nodig weer moest aanharken, of ik de bloemen mooi vond die had zij meegenomen, dat de mevrouw haar pop wel terug kreeg hoor, dat pa zo wel zou komen, dat ze het zo heet had, dat we wel naar binnen konden gaan, dat ik de aardappels moest schillen, en steeds weer over die ruzie.

Dat leek haar diep te zitten, onenigheid, ruzie. Vanochtend was er ook ruzie geweest, tijdens de gym. En de gereformeerden en de hervormden, die bleven maar ruzie maken. Zij had zich er maar buiten gehouden. Op het strand was ze gisteren toch wel uit haar slof geschoten, want ja, al die ruzie…

Ik vroeg me af waar het vandaan kwam, die diepgewortelde afkeer van ruzie. En zag er iets van mezelf in terug: het tot diep van binnen niet kunnen omgaan met conflicten. Langzaam dwaalden mijn gedachten af, terwijl ik ingespannen probeerde te luisteren, en af en toe aan het gesprek bij te dragen. Ik voelde me ongemakkelijk, zoals ik me vroeger altijd vertrouwd had gevoeld in het bijzijn van mijn grootouders.

Dat mijn oom en tante een paar minuten later arriveerden en het gesprek overnamen, kwam voor mij als een geschenk. Zonder hen had ik niet geweten hoe om te gaan met de flarden, hoe er voor haar te zijn, en hoe weer weg te gaan. Met zijn vieren begon het gesprek zowaar luchtig te lijken, een vertrouwd ritme te krijgen: oma zei iets, en wij anticipeerden. Steeds weer opnieuw, alsof er elke tien seconden iemand op haar resetknop drukte.

Af en toe passeerde er een andere bejaarde, en drong bij ons het besef door dat het zoveel erger kon. Mijn oma voelde zich dan ook beter. ‘Ja, die is zo dement als de pest.’ Wanhopig schreeuwend, ronddolend, zoekend naar een geliefde die er niet was, of misschien zelfs niet meer was.

Tegelijk had ik graag gewild dat mijn oma in net zo’n fase was als deze dames, niet meer beseffend in wat voor staat verkerend, teruggebracht tot het basisgeluk. Zoals die ene vrouw in de woonkamer, die iedere minuut opnieuw keek naar de knuffel in haar armen en een gelukzalige glimlach tentoonspreidde. Maar ik besefte ook dat dit de basis was van mijn oma, haar meest primitieve aard: zorgzaam, tot de laatste minuut.

‘Dat ik zo moet aftakelen, prevelde mijn oma, terwijl ze weer het bord voor haar buik probeerde los te wrikken. ‘Ach, daar trap ik ook steeds weer in.’Ik keek op mijn klok. Moest al weer gaan, terug naar mijn trein, terug naar mijn leventje. Zwijgzaam reed ik mijn oma terug naar de woonkamer, om haar tussen haar lotgenoten neer te planten. Zo gek, mijn oma daartussen, maar ik besefte ook dat ze hier nu hoorde, hoe pijnlijk ook. Toch troostte ik me met de gedachte dat zij nog zo sterk was, terwijl ik door de ingang de woonkamer inreed. ‘Een beetje naar rechts,’ instrueerde ze de vrouw voor haar, terwijl ze haar met een hand de goede kant op probeerde te duwen. Even wisselde ik een blik met mijn oom. Ja, het is nog wel echt mijn oma.

Onderweg naar het station reflecteerde ik nog even met mijn oom en tante. Dat mijn opa zoveel fitter was de laatste dagen, het fitst in jaren, vertelde mijn oom, omdat hij niet meer steeds zijn bed uit hoeft. Dat mijn oma er lichamelijk zo op vooruit gegaan is, maar straks in haar warrigheid alleen maar een gevaar voor zichzelf zal vormen. Mijn opa had nog hoop dat ze terug kon naar huis, genoeg hersteld van die nare griep. Maar steeds meer legt ook hij zich erbij neer. Een wondertje zal nodig zijn.

 

Kraamvisite    9 november 2009

 

Daar zit ze, in haar rolstoel. Haar rug naar mij, naar de ingang van het verzorgings­huisrestaurant toe. Ik herken haar uitgekamde maar toch nog warrige grijze haardos. Mijn opa wenkt me, lijkt opgewekt me te zien. Ik loop naar ze toe, tussen de bezette tafeltjes door.

Het moest er weer eens van komen. Maanden was ik al niet meer bij mijn oma op bezoek geweest, sinds ze ruim een jaar geleden opgenomen werd in een verzorgingstehuis.

Tegelijk met mijn oom en tante zou ik gaan. prettig, want alleen met mijn oma, dat zou me heel zwaar gevallen zijn. Die eerste keer dat ik langsging, vlak na haar opname, was zo geweest. Uitputtend. Bij iedere flard van een gedachte die in haar opkwam, uit haar mond kwam, moest ik nadenken, anticiperen, proberen te begrijpen.

Inmiddels is de situatie van mijn oma al zeker een half jaar stabiel, vertellen mijn ouders me. af en toe zelfs vertellen ze positieve verhalen. Over oplevingen. Vandaag zou niet zo’n dag worden, merkte ik al snel toen ik binnen kwam. Mijn opa was er ook. Ik kneep zachtjes in de hand van mijn oma, die verward leek maar me wel herkende. “Koude handen heb je joh!”
“Druk maar even tegen haar wang, zei mijn tante, dan wordt ze een beetje wakker.”

Ik begroette mijn opa, oom en tante, en schoof een stoel bij. Middenin het restaurant van het verzorgingstehuis zaten we. De zondagmiddagdrukte zorgde ervoor dat er stoelen vanuit de kou van het terras naar binnen werden gesleept. Overal tafeltjes met steeds een, soms twee grijze koppen, en gemoedelijke gezinnen daaromheen.

Ik bekeek mijn oma. Erg veranderd was ze niet sinds de vorige keer, op haar slaperige blik na. Wat moet ik tegen haar zeggen?
“Je moest dus nog even wachten in Zwolle?” begon mijn tante.
Al snel ging het gesprek over alledaagse dingen. Werk, de kinderen, premier Balkenende, de positie van de drukkerij waar mijn oom directeur van is…
Mijn oma zat erbij, haar ogen gesloten. Af en toe begon ze uit het niets te praten, en draaiden de hoofden fronsend haar kant op.
“Wat is er?”
En ging het gesprek weer verder.

Ze hebben het geaccepteerd, mijn opa, mijn oom, mijn ouders ook. Dat ze er zijn voor haar, maar niet echt meer met haar. Ik ook. Na twee koppen thee, een koekje en een chocolaatje is het weer tijd om op te stappen.
Terwijl ik mijn stoel terug zette bij de andere tafel moest ik aan een andere situatie denken, van pas geleden. Op kraamvisite, bij een bevriend stel. Ik kwam voor de baby, keek even, en verder ging het gewoon over van alles en nogwat. Bijna hetzelfde als vandaag, als nu, schoot er door mijn hoofd. Het enige verschil is dat ik die baby nog even op schoot had, en mijn oma alleen een kus op haar wang gaf. Ik slikte. Zo komt het cirkeltje dus rond, als je het zo ver schopt. Ik pak mijn tas, en kijk nog een keer naar mijn oma, die gebaart dat ze naar de wc moet. Ik steek mijn hand op, en zwaai.
Dag oma. Tot de volgende keer. Dag opa, dag oom en tante, het was gezellig.

 

 

Dan bel je    15 februari 2011

 

Dan ineens, glijdt je hand in je broekzak en duikt het apparaat op. Schiet je vinger over je scherm, speurend in je telefoonboek. Gevonden. Met schaamrode kaken bel je hem. Je opa. Veel te lang niet gesproken. Fietsend door de stad, nu moet het gebeuren. Ja nu. De wachttoon. Zijn stem. Verrassing in zijn stem.

Je biecht op dat je er keer op keer aan dacht maar steeds op ongelukkige momenten. Je voelt je schuldgevoel verder groeien dankzij de lulligheid van je schuchter geformuleerde excuus. Slappe hap. Slappe zak.

Dan hoor je hem antwoorden. Dat hij precies hetzelfde had, ook al lang had willen bellen, bedanken voor dat mooie kistje wijn van half december. Je voelt de opluchting, klinkt ineens fris en opgewekt. Dan vraag je geïnteresseerd hoe het nu gaat, met hem, met oma. Het verhaal is hetzelfde, veel verandert er niet, maar de woorden klinken anders. Ze klinken blij, blij om jou weer eens tegemoet te snellen. Te lang niet gesproken.

Dan spreek je verder, over de gewone dingen, dagelijkse dingen. Je vertelt hoe de zaken gaan – net als anders, maar nu aan een oor dat daadwerkelijk luistert, dat iedere zin die je spreekt absorbeert. Ja, met je vriendin gaat het ook goed, fijn dat u het vraagt. Je vertelt verder.

En dan, dan spreek je zelfs nog over dat boek wat hij pas las over het brein, wat hij prachtig vond maar toch iets te ver vond gaan. Helemaal geen vrije wil, nee dat kon niet bestaan. We discussiëren er nog wat over, heen en weer zwevend van positie, naast en tegenover elkaar. Discussiëren zoals je hoort te discussiëren.

Vrije wil of niet, vandaag voel ik me gelukkig. Gelukkig dat ik eindelijk die telefoon uit mijn zak haalde, vanochtend op de fiets. Dat ik niet weer aan koude handen dacht, of scooters van links, of andere smoesjes om pas vanavond te bellen. Of morgen. Of overmorgen. Of overovermorgen.

Dan was het er nooit van gekomen.

Ik zei tot ziens    9 december 2011

 

‘Hier linksaf’, zegt mijn vader vanaf de achterbank. Ik tik mijn knipperlicht aan en stuur de parkeerplaats op. Kwart over drie. Mijn opa is waarschijnlijk al gearriveerd.

Het gaat slecht met mijn oma. Slecht, dat gaat het al maanden, maar nu gaat het écht slecht. Ze eet nauwelijks, komt soms dagen niet meer uit bed, is op wakkere dagen nauwelijks aanspreekbaar. Toen de afdelingsarts het mijn opa vertelde, had die zelf de conclusie al getrokken. Het zou eerder om weken dan om maanden gaan. Mijn oma schuift langzaam op naar het randje. Als een oude olifant die zich afzondert van de groep, trekt zij zich terug uit het leven.

Tweeënhalf jaar woont mijn oma nu al in het tehuis waarnaast ik nu mijn auto parkeer. Een paar kleine beroertes hadden haar lijf en leden de jaren daarvoor al behoorlijk aangetast, een stevige griep sleurde haar in de vergetelheid.

Ik haal het sleuteltje uit het contact en denk aan mijn eerste bezoek in die nieuwe setting. Ik zat naast haar en hield haar hand vast, maar zag een verwarde, stuurse vrouw, die maar bleef doorbrabbelen over die verdomde ruzie tussen de gereformeerden en de hervormden. Die niet leek te horen wat je zei. Die in de leegte staarde en je dan ineens weer fel aankeek, alsof je haar iets misdaan had. Dit was mijn oma niet. Dit was mijn oma wel.

Zelf voelde ze zich een vreemde tussen ‘die gekken’. Zij was anders dan die anderen, niet compleet van de wereld zoals de Alzheimerpatiënten, die geleidelijk oplossen in de achtergrond of verworden tot zelfonterende wezens. Zij was zich bewust van haar achteruitgang. Dat maakte haar alleen maar droeviger.

Ik stap uit de auto, sla de deur dicht en loop naar de ingang van het gebouw. Ik zie de oude racefiets staan waarop mijn opa elke dag naar hier komt om zijn vrouw te zien. Om haar te wassen, te helpen met eten. Om bij haar te zijn. De keren dat ik er was kon ik ervan genieten. Mijn oma, nukkig en soms onverstaanbaar, dan weer liefdevol, mijn opa, soms antwoordend, soms uitleggend, soms negerend omdat dat het beste was.

De eerste maanden belde ik regelmatig mijn opa en vroeg hoe het ging. Met hem wel goed, met oma slecht, zei hij dan. Veranderen deden die woorden niet, tenminste niet structureel. De ene dag was ze fris en opgewekt, de andere dag spuwde ze flarden van zinnen, of bracht ze de hele dag door in de wereld die uit zulke flarden is opgebouwd.

Steeds minder vaak belde ik, bijna een jaar ging ik niet op bezoek. De vrije zondagen waren schaars, de drempel om te gaan hoog. Regelmatig overviel me een schuldgevoel. Ik voelde me een egoïst, alleen in staat om tijd vrij te maken voor een dierbare als ik er zelf ook iets uit haalde. Een schuldgevoel dat steeds korte tijd piekte, om vervolgens weer overschaduwd te raken door gelatenheid. Zo is het leven.

Toen, het telefoontje. Ik schrok van mijn moeders woorden. Van haar stem, helder maar ook gebroken. Deze boodschap moest een keer komen, het was beter voor iedereen, maar nooit ben je er klaar voor.Met de achteruitgang kwamen ook de oplevingen. ‘Ik vind het zo jammer dat het op deze manier moet lopen,’ zei mijn oma vorige week tegen mijn oom.

Op een middag twee weken geleden vroeg ze mijn opa dicht bij haar te komen. Ze bedankte hem, voor alles wat hij voor haar gedaan had. Een paar dagen later vertelde hij het, op de verjaardag van mijn broertje. Voor het eerst zag ik hem vechten tegen zijn tranen. Hij probeerde zijn nuchterheid te bewaren, maar ik zag de machteloosheid. Het niet willen loslaten. De diepe toegewijde liefde.

We stappen door de schuifdeuren naar binnen. Aan de muur hangt sinterklaasversiering, die me doet denken aan gisteren. Een avond vol plezier, vol meligheid, vol gezelligheid. Tot de telefoon ging. Mijn moeder nam op, het was mijn oom. Wij zagen haar gezicht, hoorden haar reacties en werden stil. Stil waren we nog steeds toen mijn moeder ophing en de tranen kwamen, tranen van een te snel naderend afscheid. Stil waren we nog steeds toen we armen om haar heen sloegen.

Deze zondag maakte ik wel vrij. Het voelt dubbel, om er nu weer te zijn. Zo lang afwezig en pas weer op bezoek nu het einde nabij is. Ik knijp in de hand van mijn vriendin, die mijn oma alleen één keer ontmoette voor die slopende griep. Mijn broertje voegde zich op het laatste moment nog bij ons gezelschap. Onderweg in de auto maakten we nog grapjes, nu we door de gang naar haar afdeling lopen zwijgen we.

Daar zit ze, mijn oma. Onderuit gezakt in haar rolstoel, dat wel. Maar het hoopje ellende dat we verwachtten aan te treffen is ze niet. Ze kijkt om zich heen, is zich bewust van haar omgeving. Ze is omringd door nog meer familie, ook mijn oom en tante uit Groningen zijn er met hun dochters. Ze drinken thee en keuvelen.

We groeten mijn oma, ze glimlacht. ‘Is er nog wel plek voor Adri?’ vraagt ze. We schuiven stoelen bij. Mijn broertje zegt dat hij wel een kop koffie lust. ‘Ja, ik ook’, zegt zij. We gaan zitten rond de grote tafel en slurpen koffie en thee, terwijl mijn opa koeken verdeelt. ‘Jullie zijn met zovelen gekomen dat ik er niet genoeg heb voor iedereen.’ Mijn oma zuigt aan haar rietje of haar leven er vanaf hangt.

Terwijl anderen om me heen verder praten, probeer ik de situatie tot me door te laten dringen. Krabbelt mijn oma weer op? Of is dit een opleving, alsof ze vrede heeft gesloten met haar lot en zich heeft opgeladen voor een spetterende slottournee?

Mijn oom en tante en nichtjes vertrekken. Ze zeggen gedag, luchtig en met een glimlach. Wij blijven nog even en praten verder, over koetjes, kalfjes en de voetbaluitslagen. Na ongeveer drie kwartier beginnen de ogen van mijn oma dicht te vallen. ‘Wil je naar bed?’ vraagt mijn opa. Ze knikt. Ze is op. Een voor een geven we mijn oma een zoen. Ik zeg tot ziens. Met een onbestemd gevoel loop ik even later naar buiten.

Drie dagen later spreek ik mijn ouders weer. De dagen na ons bezoek heeft mijn oma maar een paar happen gegeten, vertelt mijn moeder. Op vijf december sliep ze in de woonkamer van haar afdeling en kreeg niets mee van de festiviteiten. Misschien was het afscheid dat geen afscheid was toch een laatste keer.

 

 

Momenten    7 januari 2012

 

De aanblik van de lange gang begint vertrouwd aan te doen. De brandschone vloer die we betreden, geflankeerd door wanden met schilderijen van Oud-Hollandse landschappen waar zij die vergeten en vergaan zich goed bij schijnen te voelen.

Een broer van mijn opa loopt ons tegemoet, daar vandaan waar wij naar op weg zijn. Hij kijkt opgewekt. ‘Ik zou er maar snel heen gaan. Ze is heel wakker vandaag.’ Mijn moeder en ik kijken elkaar aan en halen onze schouders op. We hadden het er onderweg naar hier nog over gehad, dat we geen idee hadden wat we zouden aantreffen vandaag, dat we ons na de telefonische berichten hadden voorbereid op het ergste. Al vijf dagen had mijn oma niets gegeten en gedronken.

Mijn opa schudt ons de hand. Hij heeft net zijn haar laten knippen bij de inpandige kapper. Daar was hij aan toe, maanden had hij de steeds verder uitdijende dos die zijn achterhoofd flankeert verwaarloosd. Nu gaat hij ons met vers geknipt kapsel voor en stapt de kamer van zijn vrouw binnen.

‘Heb je een nieuwe bril?’
Mijn oma ligt in bed, monter en met een scherpe blik in haar ogen.Vragend nu, richting mijn opa. ‘Nee hoor,’ zegt mijn opa. ‘Het is mijn haar. Dat is geknipt.’
‘Oh, oh.’
‘Dag moe, Jop is er ook bij dus, zegt mijn moeder. Ik zie een glinstering in haar ogen. Ze steekt haar wijsvinger op. ‘Jopje, pas op je!’ We begroeten haar met een kus, ze zoent terug zo goed als ze kan en glimlacht. ‘Het is niet te geloven,’ zegt mijn moeder. We schuiven stoelen bij en nemen plaats aan haar bedrand.

Wanneer mijn opa even later terugkomt met koffie, heeft mijn oma mijn hand vastgepakt en is ze begonnen een liedje te zingen. Na twee zinnen houdt ze op. ‘Nu weet ik het niet meer!’ Ik zeg dat dat niet geeft, dat ik het mooi vond. Dat ik had gewild dat ik de tekst kende.
Eigenlijk zouden we dat de hele dag moeten doen, of in elk geval zolang als ze het volhoudt: liedjes zingen van vroeger, of anekdotes ophalen uit de registers waartoe ze nog toegang heeft. Maar ik ken geen liedjes, laat staan anekdotes van toen.

Ik wil nog beginnen over die laatste keer dat ik met mijn grootouders naar de film ging, vlak voordat mijn oma afgleed en hier terecht kwam. Uit angst voor een glazig gezicht vol spijt over de verloren gegane herinneringen, hou ik mijn mond.

Zo zitten we daar, af en toe zwijgend, dan weer gewone gesprekken voerend, af en toe met mijn oma, dan weer langs haar heen, tot ze vraagt of we toch alsjeblieft niet weg willen gaan. Daar kon ze vroeger ook al slecht mee omgaan: de plotselinge leegte wanneer alle visite ineens tegelijk opstapte. ‘Nee, moeke, we blijven nog,’ zegt mijn moeder, terwijl ze haar hand vasthoudt.

‘Tja, het menselijk leven is onvoorspelbaar,’ zegt mijn opa. ‘Ze heeft vanochtend gegeten, een heel bakje vla,’ meldt mijn opa, ‘en toen de nieuwe wooncoördinator zich vanochtend voorstelde als Willem, zei ze ‘die heb ik ook, thuis.

Mijn moeder schudt haar hoofd, uit ongeloof. Willem, zo heet mijn opa inderdaad voluit. Hij verlaat de kamer en komt even later terug met een schaaltje pudding. Een paar happen eet mijn oma, dan heeft ze weer genoeg.

Terwijl ik kijk naar het liefdevolle voederritueel overvalt me een dubbel gevoel. Ze zijn mooi, die verbazingwekkende anekdotes, die ogenschijnlijke oplevingen. Maar wat zijn ze nog waard? De vorige keer zaten we rond een grote tafel, nu al aan naast haar bed, waar ze waarschijnlijk nooit meer uit zal komen. Het versterven gaat door, dat lot is onverbiddelijk. Ieder hapje eten, elk slokje drinken, zal het rekken. Een paar uur extra aan dit verschrompelde leven. Wie weet zitten we een volgende keer weer hier, en veren we op bij elke beweging, over elk teken van leven dat ze geeft. Is dat wel een leven te noemen?

Dan ontwaak ik uit mijn gedachten en kijk hoe mijn opa het bakje opzij zet, hoe mijn moeder de hand van de hare weer vastpakt en erin knijpt. Ja, het is wel een leven. Dit is het leven. Dit zijn momenten om te koesteren. Ook ik ben blij dat ik er ben vandaag, dat ik nog een positieve herinnering kan toevoegen aan het verhaal van mijn oma. Buiten slaat de kille regen tegen de ramen, binnen zitten we behaaglijk op onze klapstoeltjes naast haar bed.

We nemen afscheid. ‘Ik vond het gezellig, oma,’ zeg ik. ‘Dus je vond het toch wel leuk?’ Tranen lijken zich op te dringen in in haar ogen – of het is de lading van haar woorden die ze daar projecteert? Ik knik. ‘Ja oma, ik vond het leuk.’ Ze steekt haar duim op. We lopen terug door de gang. Die gang, die elke keer vertrouwder wordt, toelevend naar een climax van gewenning aan afscheid. Maar daarvoor is het moment nog niet gekomen.

Verstorven    30 januari 2012

 

Dit is het dus. Versterven. Je lichaam langzaam, tergend langzaam van binnenuit opvreten, tot er letterlijk niks van over is. We zitten er weer, in het kringetje om het bed van mijn oma. Maar waar ze de vorige keer dat ik er was nog overeind zat, zo fier als ze kon, ligt ze nu op haar zij, ineengekrompen. Haar gezicht is ingevallen, verder vermageren is domweg onmogelijk. Haar rechteroog is een klein beetje open gevallen, waardoor ze ons lijkt aan te kijken, maar van zo ver weg, dat onze aanwezigheid hoogstwaarschijnlijk niet tot haar visuele systeem doordringt.

Terwijl we slokjes nemen van onze koffie, valt haar mond langzaam open. De restanten van haar laatste tanden steken naar buiten. Haar ademhaling is rustig, maar sneller dan gisteren, zegt mijn opa, die met zijn vinger over haar wang strijkt. De nuchtere verzorgende en tedere echtgenoot leveren een strijd in zijn hoofd. Hij vertelt wat de zusters hem vertelden, dat dit vasten meestal drie tot tien dagen duurt, dat ze blauwe plekken heeft gekregen op haar knieën die duiden op een verder verslechterde circulatie.Dan is hij stil, zucht en schudt zijn hoofd. Voorzichtig duwt hij haar mond dicht, haar boventanden drukken in haar onderlip.

We praten wat, maar gesprekken zijn het niet. Mijn ouders arriveren en kussen haar. Zij waren er gisteren ook, maar zien hoe groot het verschil is met toen. Ze gaan zitten naast mijn oom en tante in de kring om het bed. Zo zitten we, zwijgend, en kijken elkaar aan, de drie broers. Dan knikken we en staan op. Mijn opa schuift opzij en geeft ons de ruimte afscheid te nemen. Ik beweeg toe naar het laatste restje van mijn oma, kus haar, zeg ‘dag oma’, draai me om, wil de anderen nog gedag zeggen maar loop door naar de gang, opwellende tranen onderdrukkend. Haar aanblik heeft me misselijk gemaakt, het was niet mijn oma, maar de dood die me net aankeek.  Daar, met mijn rug naar het tafereel, laat ik ze komen, wrange tranen, tranen van waarom op zo’n manier. Tranen van afscheid zijn het niet, dat heb ik twee jaar geleden al genomen. Definitieve tranen, dat wel.

Er is iemand achter me komen staan. Ik draai me om. Het is mijn moeder, met even betraande ogen. ‘Ik vind het zo fijn dat jullie er alle drie zijn’, zegt ze. ‘Ja, het is goed zo.’ we omhelzen elkaar en huilen, samen. Dan haal ik diep adem, stap naar binnen en zeg de rest gedag. Naar mijn oma durf ik niet meer te kijken, bang voor een volgende golf van overweldigend verdriet. Met een gebroken stem wens ik mijn opa sterkte. Bij de uitgang zegt de receptioniste tot ziens. ‘Waarschijnlijk niet’, zeg ik zacht.

Om vijf voor twaalf schrik ik wakker van mijn moeders naam trillend verlicht op mijn telefoonscherm. Mijn vaders stem spreekt de woorden die ik al weet, de details sijpelen langzaam door. In rust overleden. Zojuist. Op de achtergrond hoor ik mijn moeder, praktisch, luid sprekend, waarschijnlijk met een van mijn ooms. Zelf condoleer ik mijn vader in weinig woorden. Terwijl ik gedag zeg knakt weer mijn stem. Dan hang ik op. ‘ Ik hoef vast niet te vertellen wat ik net heb gehoord.’ breng ik uit in de duisternis van mijn slaapkamer. ‘Nee.’
Daniques hand rijkt naar me toe onder de dekens, de tranen komen weer, van opluchting, dat het nog zo snel gebeurd is, dat ik terug was uit Afrika en haar samen met mijn broers gedag heb kunnen kussen. Tranen van dit was het dus. Het schrijven heeft het verdriet niet minder, maar eerder intenser, dieper, gemaakt.  Het is goed. Terwijl ik mijn wangen afdroog kan ik alleen maar denken aan mijn opa, hoe hij vandaag naast haar zat, haar laatste warmte streelde, zolang het nog kon, hoe dit proces de afgelopen jaren zijn leven vulde, het beste van zijn liefde boven bracht en hoe er nu een gapend gaat voor hem ligt.

Lieve oma, hoe vaak hebben de afgelopen maanden niet gedacht dat het beter zou zijn als het snel voorbij zou zijn? Steeds leek het snel te gaan maar dan was u daar weer, als een duveltje uit een doosje, met een opleving van eet- en levenslust, een gevatte opmerking, en glimlach en een lief woord voor iemand die u dierbaar was. We koesterden die momenten. U was eigenwijs, ook nu nog, sterven zou u op uw moment. Noem het de meest wrede vorm van een zelfgekozen levenseinde, alleen voorbehouden aan hen die een ijzeren wil hebben, en kunnen besluiten dat hun tijd gekomen is. Noem het uit het leven glijden, langzaam en vredig. Omdat het op was.

Lieve oma, ik zal u niet herinneren zoals ik u gisteren zag. Ik zal u herinneren zoals u ruzie maakte met uw ijsbakje maar genoot van ons uitje in de Kampense bioscoop, vlak voor u die grote stap richting dit moment zette, zoals u uw duim op stak de laatste keer dat u me zag. Hoe u me leerde dat kruimeltjes ook brood zijn en dat op een verjaardag nooit iedereen tegelijk weg hoort te gaan. Oma, we hebben u al erg gemist de afgelopen twee jaar, en dat zal alleen maar meer worden.

Posted in OmaComments (0)

Verstorven

Dit is het dus. Versterven. Je lichaam langzaam, tergend langzaam van binnenuit opvreten, tot er letterlijk niks van over is. We zitten er weer, in het kringetje om het bed van mijn oma. Maar waar ze de vorige keer dat ik er was nog overeind zat, zo fier als ze kon, ligt ze nu op haar zij, ineengekrompen. Haar gezicht is ingevallen, verder vermageren is domweg onmogelijk. Haar rechteroog is een klein beetje open gevallen, waardoor ze ons lijkt aan te kijken, maar van zo ver weg, dat onze aanwezigheid hoogstwaarschijnlijk niet tot haar visuele systeem doordringt.

Terwijl we slokjes nemen van onze koffie, valt haar mond langzaam open. De restanten van haar laatste tanden steken naar buiten. Haar ademhaling is rustig, maar sneller dan gisteren, zegt mijn opa, die met zijn vinger over haar wang strijkt. De nuchtere verzorgende en tedere echtgenoot leveren een strijd in zijn hoofd. Hij vertelt wat de zusters hem vertelden, dat dit vasten meestal drie tot tien dagen duurt, dat ze blauwe plekken heeft gekregen op haar knieën die duiden op een verder verslechterde circulatie.Dan is hij stil, zucht en schudt zijn hoofd. Voorzichtig duwt hij haar mond dicht, haar boventanden drukken in haar onderlip.

We praten wat, maar gesprekken zijn het niet. Mijn ouders arriveren en kussen haar. Zij waren er gisteren ook, maar zien hoe groot het verschil is met toen. Ze gaan zitten naast mijn oom en tante in de kring om het bed. Zo zitten we, zwijgend, en kijken elkaar aan, de drie broers. Dan knikken we en staan op. Mijn opa schuift opzij en geeft ons de ruimte afscheid te nemen. Ik beweeg toe naar het laatste restje van mijn oma, kus haar, zeg ‘dag oma’, draai me om, wil de anderen nog gedag zeggen maar loop door naar de gang, opwellende tranen onderdrukkend. Haar aanblik heeft me misselijk gemaakt, het was niet mijn oma, maar de dood die me net aankeek.  Daar, met mijn rug naar het tafereel, laat ik ze komen, wrange tranen, tranen van waarom op zo’n manier. Tranen van afscheid zijn het niet, dat heb ik twee jaar geleden al genomen. Definitieve tranen, dat wel.

Er is iemand achter me komen staan. Ik draai me om. Het is mijn moeder, met even betraande ogen. ‘Ik vind het zo fijn dat jullie er alle drie zijn’, zegt ze. ‘Ja, het is goed zo.’ we omhelzen elkaar en huilen, samen. Dan haal ik diep adem, stap naar binnen en zeg de rest gedag. Naar mijn oma durf ik niet meer te kijken, bang voor een volgende golf van overweldigend verdriet. Met een gebroken stem wens ik mijn opa sterkte. Bij de uitgang zegt de receptioniste tot ziens. ‘Waarschijnlijk niet’, zeg ik zacht.

Om vijf voor twaalf schrik ik wakker van mijn moeders naam trillend verlicht op mijn telefoonscherm. Mijn vaders stem spreekt de woorden die ik al weet, de details sijpelen langzaam door. In rust overleden. Zojuist. Op de achtergrond hoor ik mijn moeder, praktisch, luid sprekend, waarschijnlijk met een van mijn ooms. Zelf condoleer ik mijn vader in weinig woorden. Terwijl ik gedag zeg knakt weer mijn stem. Dan hang ik op. ‘ Ik hoef vast niet te vertellen wat ik net heb gehoord.’ breng ik uit in de duisternis van mijn slaapkamer. ‘Nee.’
Daniques hand rijkt naar me toe onder de dekens, de tranen komen weer, van opluchting, dat het nog zo snel gebeurd is, dat ik terug was uit Afrika en haar samen met mijn broers gedag heb kunnen kussen. Tranen van dit was het dus. Het schrijven heeft het verdriet niet minder, maar eerder intenser, dieper, gemaakt.  Het is goed. Terwijl ik mijn wangen afdroog kan ik alleen maar denken aan mijn opa, hoe hij vandaag naast haar zat, haar laatste warmte streelde, zolang het nog kon, hoe dit proces de afgelopen jaren zijn leven vulde, het beste van zijn liefde boven bracht en hoe er nu een gapend gaat voor hem ligt.

Lieve oma, hoe vaak hebben de afgelopen maanden niet gedacht dat het beter zou zijn als het snel voorbij zou zijn? Steeds leek het snel te gaan maar dan was u daar weer, als een duveltje uit een doosje, met een opleving van eet- en levenslust, een gevatte opmerking, en glimlach en een lief woord voor iemand die u dierbaar was. We koesterden die momenten. U was eigenwijs, ook nu nog, sterven zou u op uw moment. Noem het de meest wrede vorm van een zelfgekozen levenseinde, alleen voorbehouden aan hen die een ijzeren wil hebben, en kunnen besluiten dat hun tijd gekomen is. Noem het uit het leven glijden, langzaam en vredig. Omdat het op was.

Lieve oma, ik zal u niet herinneren zoals ik u gisteren zag. Ik zal u herinneren zoals u ruzie maakte met uw ijsbakje maar genoot van ons uitje in de Kampense bioscoop, vlak voor u die grote stap richting dit moment zette, zoals u uw duim op stak de laatste keer dat u me zag. Hoe u me leerde kruimeltjes ook brood zijn en dat op een verjaardag nooit iedereen tegelijk weg hoort te gaan. Oma, we hebben u al erg gemist de afgelopen twee jaar, en dat zal alleen maar meer worden.

Posted in Blog, OmaComments (5)

Momenten

De aanblik van de lange gang begint vertrouwd aan te doen. De brandschone vloer die we betreden, geflankeerd door wanden met schilderijen van Oud-Hollandse landschappen waar zij die vergeten en vergaan zich goed bij schijnen te voelen.

Een broer van mijn opa loopt ons tegemoet, daar vandaan waar wij naar op weg zijn. Hij kijkt opgewekt. ‘Ik zou er maar snel heen gaan. Ze is heel wakker vandaag.’ Mijn moeder en ik kijken elkaar aan en halen onze schouders op. We hadden het er onderweg naar hier nog over gehad, dat we geen idee hadden wat we zouden aantreffen vandaag, dat we ons na de telefonische berichten hadden voorbereid op het ergste. Al vijf dagen had mijn oma niets gegeten en gedronken.

Mijn opa schudt ons de hand. Hij heeft net zijn haar laten knippen bij de inpandige kapper. Daar was hij aan toe, maanden had hij de steeds verder uitdijende dos die zijn achterhoofd flankeert verwaarloosd. Nu gaat hij ons met vers geknipt kapsel voor en stapt de kamer van zijn vrouw binnen.

‘Heb je een nieuwe bril?’
Mijn oma ligt in bed, monter en met een scherpe blik in haar ogen.Vragend nu, richting mijn opa. ‘Nee hoor,’ zegt mijn opa. ‘Het is mijn haar. Dat is geknipt.’
‘Oh, oh.’
‘Dag moe, Jop is er ook bij dus, zegt mijn moeder. Ik zie een glinstering in haar ogen. Ze steekt haar wijsvinger op. ‘Jopje, pas op je!’ We begroeten haar met een kus, ze zoent terug zo goed als ze kan en glimlacht. ‘Het is niet te geloven,’ zegt mijn moeder. We schuiven stoelen bij en nemen plaats aan haar bedrand.

Wanneer mijn opa even later terugkomt met koffie, heeft mijn oma mijn hand vastgepakt en is ze begonnen een liedje te zingen. Na twee zinnen houdt ze op. ‘Nu weet ik het niet meer!’ Ik zeg dat dat niet geeft, dat ik het mooi vond. Dat ik had gewild dat ik de tekst kende.
Eigenlijk zouden we dat de hele dag moeten doen, of in elk geval zolang als ze het volhoudt: liedjes zingen van vroeger, of anekdotes ophalen uit de registers waartoe ze nog toegang heeft. Maar ik ken geen liedjes, laat staan anekdotes van toen.

Ik wil nog beginnen over die laatste keer dat ik met mijn grootouders naar de film ging, vlak voordat mijn oma afgleed en hier terecht kwam. Uit angst voor een glazig gezicht vol spijt over de verloren gegane herinneringen, hou ik mijn mond.

Zo zitten we daar, af en toe zwijgend, dan weer gewone gesprekken voerend, af en toe met mijn oma, dan weer langs haar heen, tot ze vraagt of we toch alsjeblieft niet weg willen gaan. Daar kon ze vroeger ook al slecht mee omgaan: de plotselinge leegte wanneer alle visite ineens tegelijk opstapte. ‘Nee, moeke, we blijven nog,’ zegt mijn moeder, terwijl ze haar hand vasthoudt.

‘Tja, het menselijk leven is onvoorspelbaar,’ zegt mijn opa. ‘Ze heeft vanochtend gegeten, een heel bakje vla,’ meldt mijn opa, ‘en toen de nieuwe wooncoördinator zich vanochtend voorstelde als Willem, zei ze ‘die heb ik ook, thuis.’
Mijn moeder schudt haar hoofd, uit ongeloof. Willem, zo heet mijn opa inderdaad voluit. Hij verlaat de kamer en komt even later terug met een schaaltje pudding. Een paar happen eet mijn oma, dan heeft ze weer genoeg.

Terwijl ik kijk naar het liefdevolle voederritueel overvalt me een dubbel gevoel. Ze zijn mooi, die verbazingwekkende anekdotes, die ogenschijnlijke oplevingen. Maar wat zijn ze nog waard? De vorige keer zaten we rond een grote tafel, nu al aan naast haar bed, waar ze waarschijnlijk nooit meer uit zal komen. Het versterven gaat door, dat lot is onverbiddelijk. Ieder hapje eten, elk slokje drinken, zal het rekken. Een paar uur extra aan dit verschrompelde leven. Wie weet zitten we een volgende keer weer hier, en veren we op bij elke beweging, over elk teken van leven dat ze geeft. Is dat wel een leven te noemen?

Dan ontwaak ik uit mijn gedachten en kijk hoe mijn opa het bakje opzij zet, hoe mijn moeder de hand van de hare weer vastpakt en erin knijpt. Ja, het is wel een leven. Dit is het leven. Dit zijn momenten om te koesteren. Ook ik ben blij dat ik er ben vandaag, dat ik nog een positieve herinnering kan toevoegen aan het verhaal van mijn oma. Buiten slaat de kille regen tegen de ramen, binnen zitten we behaaglijk op onze klapstoeltjes naast haar bed.

We nemen afscheid. ‘Ik vond het gezellig, oma,’ zeg ik. ‘Dus je vond het toch wel leuk?’ Tranen lijken zich op te dringen in in haar ogen – of het is de lading van haar woorden die ze daar projecteert? Ik knik. ‘Ja oma, ik vond het leuk.’ Ze steekt haar duim op. We lopen terug door de gang. Die gang, die elke keer vertrouwder wordt, toelevend naar een climax van gewenning aan afscheid. Maar daarvoor is het moment nog niet gekomen.

Posted in OmaComments (0)

Ik zei tot ziens

‘Hier linksaf’, zegt mijn vader vanaf de achterbank. Ik tik mijn knipperlicht aan en stuur de parkeerplaats op. Kwart over drie. Mijn opa is waarschijnlijk al gearriveerd.

Het gaat slecht met mijn oma. Slecht, dat gaat het al maanden, maar nu gaat het écht slecht. Ze eet nauwelijks, komt soms dagen niet meer uit bed, is op wakkere dagen nauwelijks aanspreekbaar. Toen de afdelingsarts het mijn opa vertelde, had die zelf de conclusie al getrokken. Het zou eerder om weken dan om maanden gaan. Mijn oma schuift langzaam op naar het randje. Als een oude olifant die zich afzondert van de groep, trekt zij zich terug uit het leven.

Tweeënhalf jaar woont mijn oma nu al in het tehuis waarnaast ik nu mijn auto parkeer. Een paar kleine beroertes hadden haar lijf en leden de jaren daarvoor al behoorlijk aangetast, een stevige griep sleurde haar in de vergetelheid.

Ik haal het sleuteltje uit het contact en denk aan mijn eerste bezoek in die nieuwe setting. Ik zat naast haar en hield haar hand vast, maar zag een verwarde, stuurse vrouw, die maar bleef doorbrabbelen over die verdomde ruzie tussen de gereformeerden en de hervormden. Die niet leek te horen wat je zei. Die in de leegte staarde en je dan ineens weer fel aankeek, alsof je haar iets misdaan had. Dit was mijn oma niet. Dit was mijn oma wel.

Zelf voelde ze zich een vreemde tussen ‘die gekken’. Zij was anders dan die anderen, niet compleet van de wereld zoals de Alzheimerpatiënten, die geleidelijk oplossen in de achtergrond of verworden tot zelfonterende wezens. Zij was zich bewust van haar achteruitgang. Dat maakte haar alleen maar droeviger.

Ik stap uit de auto, sla de deur dicht en loop naar de ingang van het gebouw. Ik zie de oude racefiets staan waarop mijn opa elke dag naar hier komt om zijn vrouw te zien. Om haar te wassen, te helpen met eten. Om bij haar te zijn. De keren dat ik er was kon ik ervan genieten. Mijn oma, nukkig en soms onverstaanbaar, dan weer liefdevol, mijn opa, soms antwoordend, soms uitleggend, soms negerend omdat dat het beste was.

De eerste maanden belde ik regelmatig mijn opa en vroeg hoe het ging. Met hem wel goed, met oma slecht, zei hij dan. Veranderen deden die woorden niet, tenminste niet structureel. De ene dag was ze fris en opgewekt, de andere dag spuwde ze flarden van zinnen, of bracht ze de hele dag door in de wereld die uit zulke flarden is opgebouwd.

Steeds minder vaak belde ik, bijna een jaar ging ik niet op bezoek. De vrije zondagen waren schaars, de drempel om te gaan hoog. Regelmatig overviel me een schuldgevoel. Ik voelde me een egoïst, alleen in staat om tijd vrij te maken voor een dierbare als ik er zelf ook iets uit haalde. Een schuldgevoel dat steeds korte tijd piekte, om vervolgens weer overschaduwd te raken door gelatenheid. Zo is het leven.

Toen, het telefoontje. Ik schrok van mijn moeders woorden. Van haar stem, helder maar ook gebroken. Deze boodschap moest een keer komen, het was beter voor iedereen, maar nooit ben je er klaar voor.
Met de achteruitgang kwamen ook de oplevingen. ‘Ik vind het zo jammer dat het op deze manier moet lopen,’ zei mijn oma vorige week tegen mijn oom.

Op een middag twee weken geleden vroeg ze mijn opa dicht bij haar te komen. Ze bedankte hem, voor alles wat hij voor haar gedaan had. Een paar dagen later vertelde hij het, op de verjaardag van mijn broertje. Voor het eerst zag ik hem vechten tegen zijn tranen. Hij probeerde zijn nuchterheid te bewaren, maar ik zag de machteloosheid. Het niet willen loslaten. De diepe toegewijde liefde.

We stappen door de schuifdeuren naar binnen. Aan de muur hangt sinterklaasversiering, die me doet denken aan gisteren. Een avond vol plezier, vol meligheid, vol gezelligheid. Tot de telefoon ging. Mijn moeder nam op, het was mijn oom. Wij zagen haar gezicht, hoorden haar reacties en werden stil. Stil waren we nog steeds toen mijn moeder ophing en de tranen kwamen, tranen van een te snel naderend afscheid. Stil waren we nog steeds toen we armen om haar heen sloegen.

Deze zondag maakte ik wel vrij. Het voelt dubbel, om er nu weer te zijn. Zo lang afwezig en pas weer op bezoek nu het einde nabij is. Ik knijp in de hand van mijn vriendin, die mijn oma alleen één keer ontmoette voor die slopende griep. Mijn broertje voegde zich op het laatste moment nog bij ons gezelschap. Onderweg in de auto maakten we nog grapjes, nu we door de gang naar haar afdeling lopen zwijgen we.

Daar zit ze, mijn oma. Onderuit gezakt in haar rolstoel, dat wel. Maar het hoopje ellende dat we verwachtten aan te treffen is ze niet. Ze kijkt om zich heen, is zich bewust van haar omgeving. Ze is omringd door nog meer familie, ook mijn oom en tante uit Groningen zijn er met hun dochters. Ze drinken thee en keuvelen.

We groeten mijn oma, ze glimlacht. ‘Is er nog wel plek voor Adri?’ vraagt ze. We schuiven stoelen bij. Mijn broertje zegt dat hij wel een kop koffie lust. ‘Ja, ik ook’, zegt zij. We gaan zitten rond de grote tafel en slurpen koffie en thee, terwijl mijn opa koeken verdeelt. ‘Jullie zijn met zovelen gekomen dat ik er niet genoeg heb voor iedereen.’ Mijn oma zuigt aan haar rietje of haar leven er vanaf hangt.

Terwijl anderen om me heen verder praten, probeer ik de situatie tot me door te laten dringen. Krabbelt mijn oma weer op? Of is dit een opleving, alsof ze vrede heeft gesloten met haar lot en zich heeft opgeladen voor een spetterende slottournee?

Mijn oom en tante en nichtjes vertrekken. Ze zeggen gedag, luchtig en met een glimlach. Wij blijven nog even en praten verder, over koetjes, kalfjes en de voetbaluitslagen. Na ongeveer drie kwartier beginnen de ogen van mijn oma dicht te vallen. ‘Wil je naar bed?’ vraagt mijn opa. Ze knikt. Ze is op. Een voor een geven we mijn oma een zoen. Ik zeg tot ziens. Met een onbestemd gevoel loop ik even later naar buiten.

Drie dagen later spreek ik mijn ouders weer. De dagen na ons bezoek heeft mijn oma maar een paar happen gegeten, vertelt mijn moeder. Op vijf december sliep ze in de woonkamer van haar afdeling en kreeg niets mee van de festiviteiten. Misschien was het afscheid dat geen afscheid was toch een laatste keer.

Posted in OmaComments (2)

Dan bel je

Dan ineens, glijdt je hand in je broekzak en duikt het apparaat op. Schiet je vinger over je scherm, speurend in je telefoonboek. Gevonden. Met schaamrode kaken bel je hem. Je opa. Veel te lang niet gesproken. Fietsend door de stad, nu moet het gebeuren. Ja nu. De wachttoon. Zijn stem. Verrassing in zijn stem.

Je biecht op dat je er keer op keer aan dacht maar steeds op ongelukkige momenten. Je voelt je schuldgevoel verder groeien dankzij de lulligheid van je schuchter geformuleerde excuus. Slappe hap. Slappe zak.

Dan hoor je hem antwoorden. Dat hij precies hetzelfde had, ook al lang had willen bellen, bedanken voor dat mooie kistje wijn van half december. Je voelt de opluchting, klinkt ineens fris en opgewekt. Dan vraag je geïnteresseerd hoe het nu gaat, met hem, met oma. Het verhaal is hetzelfde, veel verandert er niet, maar de woorden klinken anders. Ze klinken blij, blij om jou weer eens tegemoet te snellen. Te lang niet gesproken.

Dan spreek je verder, over de gewone dingen, dagelijkse dingen. Je vertelt hoe de zaken gaan – net als anders, maar nu aan een oor dat daadwerkelijk luistert, dat iedere zin die je spreekt absorbeert. Ja, met je vriendin gaat het ook goed, fijn dat u het vraagt. Je vertelt verder.

En dan, dan spreek je zelfs nog over dat boek wat hij pas las over het brein, wat hij prachtig vond maar toch iets te ver vond gaan. Helemaal geen vrije wil, nee dat kon niet bestaan. We discussiëren er nog wat over, heen en weer zwevend van positie, naast en tegenover elkaar. Discussiëren zoals je hoort te discussiëren.

Vrije wil of niet, vandaag voel ik me gelukkig. Gelukkig dat ik eindelijk die telefoon uit mijn zak haalde, vanochtend op de fiets. Dat ik niet weer aan koude handen dacht, of scooters van links, of andere smoesjes om pas vanavond te bellen. Of morgen. Of overmorgen. Of overovermorgen.
Dan was het er nooit van gekomen.

Posted in OmaComments (3)

Uitkraamvisite

Daar zit ze, in haar rolstoel. Haar rug naar mij, naar de ingang van het verzorgingshuisrestaurant toe. Ik herken haar uitgekamde maar toch nog warrige grijze haardos. Mijn opa wenkt me, lijkt opgewekt me te zien. Ik loop naar ze toe, tussen de bezette tafeltjes door.

Het moest er weer eens van komen. Maanden was ik al niet meer bij mijn oma op bezoek geweest, sinds ze ruim een jaar geleden opgenomen werd in een verzorgingstehuis.

Tegelijk met mijn oom en tante zou ik gaan. prettig, want alleen met mijn oma, dat zou me heel zwaar gevallen zijn. Die eerste keer dat ik langsging, vlak na haar opname, was zo geweest. Uitputtend. Bij iedere flard van een gedachte die in haar opkwam, uit haar mond kwam, moest ik nadenken, anticiperen, proberen te begrijpen.

Inmiddels is de situatie van mijn oma al zeker een half jaar stabiel, vertellen mijn ouders me. af en toe zelfs vertellen ze positieve verhalen. Over oplevingen. Vandaag zou niet zo’n dag worden, merkte ik al snel toen ik binnen kwam. Mijn opa was er ook. Ik kneep zachtjes in de hand van mijn oma, die verward leek maar me wel herkende. “Koude handen heb je joh!”
“Druk maar even tegen haar wang, zei mijn tante, dan wordt ze een beetje wakker.”

Ik begroette mijn opa, oom en tante, en schoof een stoel bij. Middenin het restaurant van het verzorgingstehuis zaten we. De zondagmiddagdrukte zorgde ervoor dat er stoelen vanuit de kou van het terras naar binnen werden gesleept. Overal tafeltjes met steeds een, soms twee grijze koppen, en gemoedelijke gezinnen daaromheen.

Ik bekeek mijn oma. Erg veranderd was ze niet sinds de vorige keer, op haar slaperige blik na. Wat moet ik tegen haar zeggen?
“Je moest dus nog even wachten in Zwolle?” begon mijn tante.
Al snel ging het gesprek over alledaagse dingen. Werk, de kinderen, premier Balkenende, de positie van de drukkerij waar mijn oom directeur van is…
Mijn oma zat erbij, haar ogen gesloten. Af en toe begon ze uit het niets te praten, en draaiden de hoofden fronsend haar kant op.
“Wat is er?”
En ging het gesprek weer verder.

Ze hebben het geaccepteerd, mijn opa, mijn oom, mijn ouders ook. Dat ze er zijn voor haar, maar niet echt meer met haar. Ik ook. Na twee koppen thee, een koekje en een chocolaatje is het weer tijd om op te stappen.
Terwijl ik mijn stoel terug zette bij de andere tafel moest ik aan een andere situatie denken, van pas geleden. Op kraamvisite, bij een bevriend stel. Ik kwam voor de baby, keek even, en verder ging het gewoon over van alles en nogwat. Bijna hetzelfde als vandaag, als nu, schoot er door mijn hoofd. Het enige verschil is dat ik die baby nog even op schoot had, en mijn oma alleen een kus op haar wang gaf. Ik slikte. Zo komt het cirkeltje dus rond, als je het zo ver schopt. Ik pak mijn tas, en kijk nog een keer naar mijn oma, die gebaart dat ze naar de wc moet. Ik steek mijn hand op, en zwaai.
Dag oma. Tot de volgende keer. Dag opa, dag oom en tante, het was gezellig.

Posted in OmaComments (0)

Zorgzaam, tot de laatste minuut

Ik had er tegenop gezien, en langzaam liep ik dan ook van de bushalte naar het grote verzorgingstehuis. Nadenken over wat ik zou aantreffen deed ik even niet, dat had ik de hele nacht al gedaan. Mijn hoofd was leeg nu, mijn benen een tikkeltje zwaar.

De wijd uitgestekte tuin door, met bankjes voor die paar bejaarden die nog verder kwamen dan de gang en de woonkamer. Door de sluis van automatische deuren, die was bedoeld om de warmte binnen te houden,maar mij deed denken aan een wildrooster.
Ik zie het nog precies voor me, hoe ik naar binnenliep, en verder richting afdeling de Esch. Hoe er een man naast me ging lopen, en vroeg voor wie ik kwam. ‘Mevrouw Helleman? Die ken ik waarschijnlijk wel van gezicht.’ Iedereen kent elkaar hier alleen nog van gezicht, dacht ik toen.

Ik zie de lange gangen die ik door ging, voel de warmte op mijn wangen. Ruik die geur weer, die geur die huiselijkheid leek te willen uitstralen, maar daar niet in slaagde.
Overal om me heen beeldde ik me bordjes in, met ‘memento mori’ erop: gedenkt te sterven. Verpleeghuizen, dat zijn huizen waar je als bezoeker door de ingang naar buiten moet, omdat de uitgang alleen voor de bewoners bedoeld is.

Het bordje vertelde me dat ik er was. Ik keek om me heen en zag een woonkamer vol apathisch voor zich uit starende dames, een enkele heer. Een hard werkende jonge meid, die van mij meteen al meer respect kreeg dan alle Idols-talenten en fotomodellen bij elkaar.
En daar, achterin de gang, alleen, mijn oma. Ik liep naar haar toe, met een vreemd gevoel in mijn buik.

Warrig, maar toch ook monter keek mijn oma op. ‘Goh, wat leuk dat je er bent, murmelde ze, ‘daar had ik niet op gerekend.’
Onderuitgezakt in haar stoel zat ze, tegengehouden door de plank voor haar buik.
Op de rand van haar rolstoel leunde een uitgeklede pop. ‘Ja, die heb ik gepikt van een andere mevrouw. Dat doe ik niet gauw, maar nu moest het.’ Ik fronsde mijn wenkbrauwen en wilde gaan zitten op de stoel die tegenover haar in het hoekje van de gang stond.

‘Hang je jas aan de kapstok.’ Ze wees naar de muur. Geen kapstok te bekennen. Na enige twijfel hing ik mijn jas aan de stang en wilde alsnog gaan zitten.
‘We kunnen wel naar binnen gaan,’ zei mijn oma.
‘Euh, nou, volgens mij zitten we wel prima zo.’Ze haalde haar schouders op. ‘Ach het is wel prima zo.’

En toen begon mijn oma te praten. Over dat het zo’n ruzie was in de kerk, dat zij er maar niks van gezegd had, over dat ze gisteren appeltaart had gebakken, over het perkje, dat ze nodig weer moest aanharken, of ik de bloemen mooi vond die had zij meegenomen, dat de mevrouw haar pop wel terug kreeg hoor, dat pa zo wel zou komen, dat ze het zo heet had, dat we wel naar binnen konden gaan, dat ik de aardappels moest schillen, en steeds weer over die ruzie.

Dat leek haar diep te zitten, onenigheid, ruzie. Vanochtend was er ook ruzie geweest, tijdens de gym. En de gereformeerden en de hervormden, die bleven maar ruzie maken. Zij had zich er maar buiten gehouden. Op het strand was ze gisteren toch wel uit haar slof geschoten, want ja, al die ruzie…

Ik vroeg me af waar het vandaan kwam, die diepgewortelde afkeer van ruzie. En zag er iets van mezelf in terug: het tot diep van binnen niet kunnen omgaan met conflicten. Langzaam dwaalden mijn gedachten af, terwijl ik ingespannen probeerde te luisteren, en af en toe aan het gesprek bij te dragen. Ik voelde me ongemakkelijk, zoals ik me vroeger altijd vertrouwd had gevoeld in het bijzijn van mijn grootouders.

Dat mijn oom en tante een paar minuten later arriveerden en het gesprek overnamen, kwam voor mij als een geschenk. Zonder hen had ik niet geweten hoe om te gaan met de flarden, hoe er voor haar te zijn, en hoe weer weg te gaan. Met zijn vieren begon het gesprek zowaar luchtig te lijken, een vertrouwd ritme te krijgen: oma zei iets, en wij anticipeerden. Steeds weer opnieuw, alsof er elke tien seconden iemand op haar resetknop drukte.

Af en toe passeerde er een andere bejaarde, en drong bij ons het besef door dat het zoveel erger kon. Mijn oma voelde zich dan ook beter. ‘Ja, die is zo dement als de pest.’ Wanhopig schreeuwend, ronddolend, zoekend naar een geliefde die er niet was, of misschien zelfs niet meer was.

Tegelijk had ik graag gewild dat mijn oma in net zo’n fase was als deze dames, niet meer beseffend in wat voor staat verkerend, teruggebracht tot het basisgeluk. Zoals die ene vrouw in de woonkamer, die iedere minuut opnieuw keek naar de knuffel in haar armen en een gelukzalige glimlach tentoonspreidde. Maar ik besefte ook dat dit de basis was van mijn oma, haar meest primitieve aard: zorgzaam, tot de laatste minuut.

‘Dat ik zo moet aftakelen, prevelde mijn oma, terwijl ze weer het bord voor haar buik probeerde los te wrikken. ‘Ach, daar trap ik ook steeds weer in.’
Ik keek op mijn klok. Moest al weer gaan, terug naar mijn trein, terug naar mijn leventje. Zwijgzaam reed ik mijn oma terug naar de woonkamer, om haar tussen haar lotgenoten neer te planten. Zo gek, mijn oma daartussen, maar ik besefte ook dat ze hier nu hoorde, hoe pijnlijk ook. Toch troostte ik me met de gedachte dat zij nog zo sterk was, terwijl ik door de ingang de woonkamer inreed. ‘Een beetje naar rechts,’ instrueerde ze de vrouw voor haar, terwijl ze haar met een hand de goede kant op probeerde te duwen. Even wisselde ik een blik met mijn oom. Ja, het is nog wel echt mijn oma.

Onderweg naar het station reflecteerde ik nog even met mijn oom en tante. Dat mijn opa zoveel fitter was de laatste dagen, het fitst in jaren, vertelde mijn oom, omdat hij niet meer steeds zijn bed uit hoeft. Dat mijn oma er lichamelijk zo op vooruit gegaan is, maar straks in haar warrigheid alleen maar een gevaar voor zichzelf zal vormen. Mijn opa had nog hoop dat ze terug kon naar huis, genoeg hersteld van die nare griep. Maar steeds meer legt ook hij zich erbij neer. Een wondertje zal nodig zijn.

Posted in OmaComments (0)

De oma die mijn oma niet meer is

‘Vraag even wat we moeten zingen,’ had ze gevraagd.
‘Stil nou, ik hoor de dominee niet goed.’
‘Je moet wel even gaan staan hoor, als je uit de Bijbel leest.’
‘Mevrouw, wilt u misschien even weg gaan, u verstoort de eredienst.’
‘Vraag even aan de organist wat we gaan zingen. Toe nou, vraag even…’

Met een knoop in hun maag hadden mijn ouders het aangehoord. Doordringen tot haar probeerden ze, terwijl ze daar zat in haar rolstoel. Opgesloten in haar stoel – mijn oma. Opgesloten, om zichzelf te beschermen.

‘De zaal waarin ze ondergebracht is, werd vroeger gebruikt voor kerkelijke bijeenkomstenkomsten, dat zal het wel zijn,’ had mijn opa gezegd.
Tegen mijn oom en tante had ze een dag eerder aan één stuk geklaagd over het rookgedrag in het gebouw. Dat liep toch echt de spuigaten uit, en het werd er toch zo warm van!

Het gaat slecht met mijn oma. Ze is weg, weg uit de realiteit, weg uit het nu. Mist de aansluiting, leeft in haar eigen wereldje.

Alles wat de familie kan doen is meeleven, meedoen, er het beste van maken. Zoals mijn vader, die zocht naar de belijdenis van Petrus, in het bijbeltje waaruit ze wilde horen. Zoals mijn broertje, die vertelde dat het erg gezellig was op schoolkamp. En zoals mijn moeder, die vertelde dat mijn oudste broer inderdaad flink gegroeid was.

Mijn opa noemt het een legpuzzel die uit elkaar gevallen is. Losse flarden komen langs, wanneer ze probeert gesprekken op gang te brengen, of in elk geval de stilte te doden. Geen herhalende patronen, zoals bij haar kamergenoten, maar kreten zonder enig verband. Lijdzaam toezien, dat is alles wat hij nog kan doen.

En ik? Ik vind het moeilijk. Ik wil er heen, ik moet er heen. Maar sinds mijn oma is opgenomen in het ziekenhuis, en daarna overgeplaatst werd naar het verzorgingshuis, heb ik haar nog niet opgezocht. Zelfs mijn opa niet gesproken, al probeerde ik hem al twee keer te bellen. Ik voel een drempel, vanwege die mooie avond, nu precies vier weken geleden, op de valreep van haar bewuste bestaan.

Het voelt ver weg, dat wat ik over haar hoor. Ik wil het dichterbij halen, maar toch ook niet. Ik denk terug aan die dag dat mijn andere oma begraven werd, ruim tien jaar geleden nu. Heel even mochten we nog kijken in de kist. Mijn broers gingen, maar ik bleef buiten. Ik hield dat vredige beeld vast, van mijn kwieke oma, zoals ze was, vlak voordat het in twee dagen tijd hard bergafwaarts met haar ging en haar tumor bezit van haar nam.

Eenzelfde beeld koester ik nu van mijn levende oma. Het knaagt aan me, dit dilemma. Ik kan het niet maken, en wil het ook niet: haar nooit meer zien. Maar de anekdotes doen pijn, ontluisteren. Ik wil geen oma in mijn herinnering die mijn oma niet is. Ook al was ze al jaren niet meer zoals vroeger, ze was nog wel een mens, met haar kwetsbaarheid, haar betrokkenheid, maar ook haar kracht.

Maar ik wil ook niet vluchten, niet wegduiken. Wil laten zien dat ik aan haar denk, haar niet vergeet, niet zomaar afschrijf. Misschien niet voor haar, maar wel voor mijn familie, voor mijn opa, voor mezelf.

Dan zal ik haar zien zitten, gevangen in de rolstoel. Lichaam op een plaats, geest overal en nergens. En zal ik moeten accepteren, dat de werkelijkheid nu eenmaal vaak minder prettig is dan een mooi beeld in je hoofd.

Posted in OmaComments (0)

Een glimp van toen

‘Leuk dat je er bent joh, zomaar ineens!’
Met een grote glimlach zit mijn oma naast me op de bank, terwijl mijn opa koffie en chocolademelk inschenkt. Al tijden had ik rondgelopen met het idee weer eens iets met mijn grootouders te gaan doen. Vandaag was het er eindelijk van gekomen.

De laatste tijd is mijn oma steeds meer in de war. Sinds een paar jaar gaat haar geheugen achteruit, en de tijd lijkt steeds grotere en brutalere hapjes te nemen. De symptomen komen, en confronteren.
Elke dag begint ze weer over de brief die mijn opa naar haar werk moet schrijven, dat ze niet meer komt. Ze is 81. Laatst verbaasde het haar hoe de schilderijen in de gang leken op die van hun. Ze was thuis. Ik woon in haar gedachtenwereld nog steeds in Den Haag, en onze vriendinnen noemt ze steevast bij de verkeerde naam.

Regelmatig belde ik de laatste tijd, en nam mijn opa op. ‘Hoe gaat het?’ vroeg ik dan, terwijl ik het antwoord al wist. ‘Tja, met mij wel goed, en met je oma minder.’ Het is triest voor mijn opa, dat hij haar met de dag verder uit zijn handen, uit het heden ziet glippen. Wegglijdend in het verleden, wegglijdend in een schimmige wereld zonder besef van tijd en ruimte. Hij weet het, dat hij de volgende keer dat ik bel weer hetzelfde antwoord zal geven. Het is ook triest voor haar, want ze merkt het, ze weet het, ze voelt het. Ze takelt af.

Vandaag is mijn oma opgewekt. Ze lijkt haast een beetje zenuwachtig.
‘Moet ik helpen?’ Roept ze vanuit haar stoel, terwijl mijn opa in de keuken drie eieren bakt. ‘Nee, blijf jij maar lekker zitten.’
‘Kan ik iets halen?’
‘Nee, het gaat helemaal goed!’
Ik merk dat ze het echt leuk vindt, dat ik vanochtend aan de telefoon zomaar voorstelde naar de film te gaan. In de krant las ik een stukje over de film Oorlogswinter, en had meteen aan mijn grootouders gedacht.

Mijn opa, nog altijd kwiek en fris van geest, is er altijd duidelijk over geweest: de oorlog heeft een groot stempel op zijn leven gedrukt. Hij groeide erin op, en raakte eraan verslingerd. Voor mijn oma zat het iets anders. Zij maakte de hongerwinter mee. Veel vertelde ze er ons niet over, behalve dat ons bordje helemaal leeg moest zijn voor ze het naar de keuken bracht.

Altijd bezig was ze, tot ze werd gedwongen stil te zitten, omdat haar benen niet meer wilden. Nu is ze nog altijd onrustig, op verjaardagen en andere bezoekjes. Alsof ze elk moment wil opstaan om de afwas te gaan doen, of de koffie aan te zetten. Het heeft haar depressief gemaakt, dat ze dat niet meer kan. Ze voelt zich nietig, overbodig, knullig ook, als ze niet verstaat of begrijpt wat anderen zeggen.

Soms heeft mijn oma nog heldere momenten. Dan is ze weer even die krachtige, meelevende vrouw van weleer, alsof ze ineens opveert uit haar stoel en vergeet hoe erg ze de afgelopen jaren is achteruit gegaan. Dan vang ik een glimp op van hoe ik haar zo graag zou willen herinneren, van toen.

Het leek me dan ook niet zo’n slecht plan, om naar een film te gaan die de jeugd van mijn grootouders naar boven haalde. Jonger dan ik nu ben, waren ze toen.
En ja, het werkte. Vroeg mijn oma vooraf nog drie keer hoe de film heette, eenmaal binnen was ze al snel stil, zonder in slaap te vallen zoals thuis zo vaak. Met mijn opa grinnikte ik om het feit dat alle andere bezoekers die na ons in de bioscoop waren gaan zitten een standje kregen van de kaartjesdame – wij hadden immers een gehandicapte bij ons. Af en toe vertelde hij iets, over het type vliegtuig of woorden die ze toen niet gebruikten. Of ik vroeg ergens naar, uit zijn eigen geheugen. Mijn opa prees het verhaal zoals alleen hij dat kan (‘Heel aardig in elkaar gezet’).

We genoten, van de film, van het spontane dagje uit. En mijn oma? Ze voelde zich weer jong, zo jong als de helden in de film. Een beetje naar vond ze het wel, dat er mensen dood moesten. Maar de beelden brachten haar ook tot leven, deden haar denken aan die tijd, toen ze nog jong en krachtig was. ‘Ja,’ mompelde ze toen we naar de uitgang liepen, ‘je zou er zo weer naast willen staan.’

Posted in OmaComments (0)


Jopinie @ Twitter

PHVsPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZHNfcm90YXRlPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzE8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjVhLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzI8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjViLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzM8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjVjLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzQ8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjVkLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX21wdV9hZHNlbnNlPC9zdHJvbmc+IC0gPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfbXB1X2Rpc2FibGU8L3N0cm9uZz4gLSB0cnVlPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfbXB1X2ltYWdlPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tL2Fkcy8zMDB4MjUwYS5qcGc8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF9tcHVfdXJsPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfdG9wX2Fkc2Vuc2U8L3N0cm9uZz4gLSA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF90b3BfZGlzYWJsZTwvc3Ryb25nPiAtIHRydWU8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF90b3BfaW1hZ2U8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzQ2OHg2MGEuanBnPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfdG9wX3VybDwvc3Ryb25nPiAtIGh0dHA6Ly93d3cud29vdGhlbWVzLmNvbTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX3VybF8xPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfdXJsXzI8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb208L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF91cmxfMzwvc3Ryb25nPiAtIGh0dHA6Ly93d3cud29vdGhlbWVzLmNvbTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX3VybF80PC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWx0X3N0eWxlc2hlZXQ8L3N0cm9uZz4gLSBkYXJrYmx1ZS5jc3M8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hdXRob3I8L3N0cm9uZz4gLSBmYWxzZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2F1dG9faW1nPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2N1c3RvbV9jc3M8L3N0cm9uZz4gLSA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19jdXN0b21fZmF2aWNvbjwvc3Ryb25nPiAtIDwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2ZlYXR1cmVkX2NhdGVnb3J5PC9zdHJvbmc+IC0gVWl0Z2VsaWNodDwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2ZlYXRfZW50cmllczwvc3Ryb25nPiAtIDE8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19mZWVkYnVybmVyX2lkPC9zdHJvbmc+IC0gPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fZmVlZGJ1cm5lcl91cmw8L3N0cm9uZz4gLSA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19nb29nbGVfYW5hbHl0aWNzPC9zdHJvbmc+IC0gPHNjcmlwdCB0eXBlPVwidGV4dC9qYXZhc2NyaXB0XCI+DQoNCiAgdmFyIF9nYXEgPSBfZ2FxIHx8IFtdOw0KICBfZ2FxLnB1c2goW1wnX3NldEFjY291bnRcJywgXCdVQS0yMTIyMzIwNS0xXCddKTsNCiAgX2dhcS5wdXNoKFtcJ190cmFja1BhZ2V2aWV3XCddKTsNCg0KICAoZnVuY3Rpb24oKSB7DQogICAgdmFyIGdhID0gZG9jdW1lbnQuY3JlYXRlRWxlbWVudChcJ3NjcmlwdFwnKTsgZ2EudHlwZSA9IFwndGV4dC9qYXZhc2NyaXB0XCc7IGdhLmFzeW5jID0gdHJ1ZTsNCiAgICBnYS5zcmMgPSAoXCdodHRwczpcJyA9PSBkb2N1bWVudC5sb2NhdGlvbi5wcm90b2NvbCA/IFwnaHR0cHM6Ly9zc2xcJyA6IFwnaHR0cDovL3d3d1wnKSArIFwnLmdvb2dsZS1hbmFseXRpY3MuY29tL2dhLmpzXCc7DQogICAgdmFyIHMgPSBkb2N1bWVudC5nZXRFbGVtZW50c0J5VGFnTmFtZShcJ3NjcmlwdFwnKVswXTsgcy5wYXJlbnROb2RlLmluc2VydEJlZm9yZShnYSwgcyk7DQogIH0pKCk7DQoNCjwvc2NyaXB0PjwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2hvbWU8L3N0cm9uZz4gLSBmYWxzZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2hvbWVfdGh1bWJfaGVpZ2h0PC9zdHJvbmc+IC0gNTc8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19ob21lX3RodW1iX3dpZHRoPC9zdHJvbmc+IC0gMTAwPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29faW1hZ2Vfc2luZ2xlPC9zdHJvbmc+IC0gZmFsc2U8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19sb2dvPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvOS1sb2dvLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX21hbnVhbDwvc3Ryb25nPiAtIGh0dHA6Ly93d3cud29vdGhlbWVzLmNvbS9zdXBwb3J0L3RoZW1lLWRvY3VtZW50YXRpb24vZ2F6ZXR0ZS1lZGl0aW9uLzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3Jlc2l6ZTwvc3Ryb25nPiAtIHRydWU8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19zaG9ydG5hbWU8L3N0cm9uZz4gLSB3b288L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19zaG93X2Nhcm91c2VsPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3Nob3dfdmlkZW88L3N0cm9uZz4gLSBmYWxzZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3NpbmdsZV9oZWlnaHQ8L3N0cm9uZz4gLSAxODA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19zaW5nbGVfd2lkdGg8L3N0cm9uZz4gLSAyNTA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb190YWJzPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3RoZW1lbmFtZTwvc3Ryb25nPiAtIEdhemV0dGU8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb191cGxvYWRzPC9zdHJvbmc+IC0gYTo3OntpOjA7czo1NToiaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvOS1sb2dvLmpwZyI7aToxO3M6NjU6Imh0dHA6Ly93d3cuam9waW5pZS5ubC93b3JkcHJlc3Mvd3AtY29udGVudC93b29fdXBsb2Fkcy84LWxvZ28uanBnIjtpOjI7czo2NToiaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dvcmRwcmVzcy93cC1jb250ZW50L3dvb191cGxvYWRzLzctbG9nby5qcGciO2k6MztzOjY1OiJodHRwOi8vd3d3LmpvcGluaWUubmwvd29yZHByZXNzL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvNi1sb2dvLnBuZyI7aTo0O3M6NjU6Imh0dHA6Ly93d3cuam9waW5pZS5ubC93b3JkcHJlc3Mvd3AtY29udGVudC93b29fdXBsb2Fkcy81LWxvZ28ucG5nIjtpOjU7czo2NToiaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dvcmRwcmVzcy93cC1jb250ZW50L3dvb191cGxvYWRzLzQtbG9nby5wbmciO2k6NjtzOjY1OiJodHRwOi8vd3d3LmpvcGluaWUubmwvd29yZHByZXNzL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvMy1sb2dvLnBuZyI7fTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3ZpZGVvX2NhdGVnb3J5PC9zdHJvbmc+IC0gU2VsZWN0IGEgY2F0ZWdvcnk6PC9saT48L3VsPg==