Archive | Heiko

Debutant

‘Hoe gaat het met je boek?’

Had je me die vraag een half jaar geleden gesteld dan was de kans groot geweest dat ik me zuchtend van je had afgewend, liefst richting bar. Al maanden, nee jaren, werkte ik in de weekenden en avonduren aan een project waar ik me ooit vol overgave op had gestort, maar wat gaandeweg steeds meer was gaan lijken op een zwarte dag in het casino: je weet dat je moet stoppen, maar wilt het niet en gaat door, door, door.

Lees verder op het Debutantenblog, waar dit gastblog op 16 juni verscheen.

Posted in Allemaal beestjes, HeikoComments (0)

Weerzien

Augustus 2010

De grijze lucht hangt als een sluier over mijn straat. De lucht is dik, verzadigd. Er kan elk moment een knallend onweer losbarsten, regen zal kapot slaan op de door weken van droogte uitgeharde grond.

Mijn buurvrouw arriveert in haar rode Fiat Panda. Ze stapt uit, zwiept de deur dicht en veegt haar voorhoofd af. Terwijl ze haar tuinpad betreedt kijkt ze op en zwaait naar het silhouet dat ze door mijn openstaande lamellen heen herkent. Ik hef mijn hand op; terugzwaaien kan ik het niet noemen. Mijn andere hand omklemt de fles wodka, achter mijn rug.

Ik doe het steeds vaker: naar buiten staren. Staren is het eigenlijk niet, ik observeer de omgeving. Wantrouwen houdt me in de greep. Een grijze auto rijdt de straat in en draait een van de parkeervakken op. Het witte nummerbord met zwarte letters doet mijn hartslag versnellen: een Duitse auto. Wat moet een Duitser hier, in deze straat waar nooit iemand komt die hier niets te zoeken had en die nooit door iemand bezocht wordt die er geen uiterst noodzakelijke reden voor heeft? Even werken de lamellen nog tegen wanneer ik aan het touwtje trek, alsof ze tegen me samenspannen om me niet te kunnen verbergen voor deze opmerkelijke bezoeker, maar binnen drie tellen zitten ze strak dicht. Even later duw ik mijn vingers er tussen en kijk weer. Het voertuig is vertrokken.

Mijn hoofd doet pijn bij iedere stap die ik van de trap af naar beneden zet, richting mijn slaapkamer. Het is de prijs die ik weer eens achteraf betaal voor de veel te goedkope witte wijn, waarvan ik gisteren drie pakken na elkaar plat vouwde en in de prullenbak gooide. De inhoud had mijn buik doen opzwellen, mijn gezicht doen opgloeien en mijn keel schor gemaakt op de klanken uit mijn cd-speler van de Puhdys, mijn Oost-Duitse rockhelden. Ik heb al lang geleerd hoe hopeloos onverstandig het is om alles in het leven achteraf te betalen, maar het ontbreekt me aan de kracht om daar verandering in te brengen.

De lade van mijn bureau zit weer eens klem, met kracht trek ik eraan, tot die met een vaart in zijn geheel naar buiten vliegt en op mijn schoot belandt. Daar ligt de brief, al twee jaar wachtend bovenin deze lade. Een brief afkomstig van de beheerders van van het Stasi-archief in Berlijn, het antwoord op het verzoek tot inzage dat ik toen durfde te doen, maar nu voelt als een loden last. Ja, las ik erin, er was informatie gevonden over mijn ouders, in het dossier over hen, en over mijzelf, dat kleine stukje van die honderdzestig kilometer dossiers, spionagemateriaal over alle burgers van mijn vaderland. Ja, ik mocht het bekijken. Wanneer ik er zelf klaar voor was.

Nadat ik de brief voor het eerst gelezen had, vouwde ik hem dicht, waarna tranen beide kanten tegen elkaar deden plakken. Nooit meer opende ik hem daarna, maar steeds wanneer de envelop door mijn handen gleed, zag ik de woorden geprojecteerd op mijn netvlies. Zal ik er ooit klaar voor zijn?

De treden terug omhoog voelen als hordes, maar de behoefte aan een stevige kop koffie sleept me naar boven. De lamellen laten zich gemakkelijk uit elkaar duwen voor een kijkgat, maar het zicht dat dit me verschaft doet het zweet bij me uitbreken. De grijze auto staat er weer. Voor ik tijd heb om het te beseffen heb ik mijn telefoon al gepakt en het alarmnummer ingetoetst. Mijn duim glijdt over het groene knopje, twee keer, dan naar het rode, en drukt daarop.

De bestuurder stapt uit. Hij steekt de weg over, heen en weer kijkend,  van het briefje in zijn hand naar de rij huizen waar het mijne onderdeel van uitmaakt en waar hij naar op weg lijkt. Twee huizen verderop stopt hij om te kijken, dan loopt hij in de richting van mijn huis. Ik herken die tred. Weg van de lamellen, weg van het raam. Ik tol op mijn benen, moet gaan zitten.

De bel. Mijn bel. Ik moet me verbergen. Nee, niet verbergen, verbergen heeft geen zin. Ze vinden je overal. Ik schakel het licht uit, en weer aan. Ik sta verstijfd in mijn woonkamer.

Weer klinkt de bel. Stekend is nu de pijn in mijn hoofd bij iedere trede die ik neem, omlaag, naar de voordeur dit keer. Door het matglas heen zie ik het silhouet van de man, ik ken het, ja, ik weet het. Ik draai me om, gris mijn sleutels van het gangkastje. Mijn handen trillen en maken het vinden van de juiste sleutel moeilijk. Na drie pogingen lukt het me eindelijk om die in het slot te steken en dat open te draaien.

Hij ziet er nog precies hetzelfde uit, alleen negentien jaar ouder en wat kaler. Zijn felblauwe ogen hebben hun glans nog altijd niet verloren. Hij strekt zijn hand naar me uit en wil zich voorstellen. ‘Natuurlijk herken ik je nog.’ Mijn stem klinkt bedremmeld. ‘Kom binnen.’

Peter is de hele dag onderweg geweest en heeft flink moeten zoeken naar mijn huis. Vanochtend vroeg is hij weggereden uit Berlijn.

Tijdens de vluchtige rondleiding die ik hem geef verontschuldig ik me voor de rommel. Hij merkt op dat hij het brandschoon vindt, ik zeg dat het mijn Oost-Duitse volksaard is. Hij grinnikt en zegt ‘Ja, jouw Oost-Duitse volksaard.’ Ik bied hem drinken aan en gebied hem te gaan zitten op mijn bruine bank. Hij zegt sorry.

‘Sorry?’

‘Ja sorry, Hajo.’

‘Sorry waarvoor?’

‘Sorry voor mijn gedrag, voor mijn houding die laatste weken voor we elkaar ontglipten.’

‘Ach, dat geeft niet, zo gingen die dingen…’

‘Het was mijn schuld dat we elkaar uit het oog verloren. Zo heb ik het altijd gevoeld en dat heeft me lang pijn gedaan.’

‘Wat bedoel je?’

‘Ik… Ik vertel het je nog. Zullen we het eerst hebben over nu?’

‘Natuurlijk, hoe gaat het met je? Vertel me hoe het met je gaat, heb je een vrouw, kinderen?’

Hij vertelt me over zijn gezin, het bedrijf waar hij al zestien jaar directeur van is, zijn speurtocht naar zijn verleden waarmee hij sinds een jaar bezig is, met dit bezoek als hoogtepunt.

‘Maar vertel me eens over jouw leven!’ Verwachtingsvol kijkt hij me aan. Ik slikt. Ik denk terug aan onze plannen van toen en de overtuiging waarmee we erover spraken. Aan hoe weinig daarvan in mijn geval terecht is gekomen. ‘Ja, hier gaat het ook goed.’

‘Vertel meer! Ik wil alles weten.’ Wat moet ik hem vertellen? De waarheid, waar ik nog altijd geen vrede mee heb?

‘Nou ja…’ Weer slik ik. ‘Mijn vrouw is op het moment even niet thuis. Voor werk op reis. De kinderen logeren…’

‘Heb je foto’s?’ Peter staat al op om naar de boekenkast te lopen. Tranen dringen zich op achter mijn ogen. Mijn mond is kurkdroog. ‘Nee.’ Verbaasd kijkt Peter me aan. ‘Geen foto’s?’

Ik kuch. ‘Nee, ik heb geen familie. Geen echte familie tenminste. Ik heb wat vrienden, die, familie voor me spelen.’ Een paar tellen is het stil.

‘Oh, maar dat is toch ook prima? Je kunt toch ook op een andere manier je leven invullen?’ Hij forceert een grijns.

‘Tja.’

‘Hé man, zo had ik het niet bedoeld. Het is toch niet vreemd om te vragen naar je gezinsomstandigheden? Maar dat wil niet zeggen…’

‘Het geeft niet.’

‘Zeker weten?’

‘Ja zeker weten. Wil je nog een biertje?’

Even na tienen staat Peter op. ‘Ik moet maar eens gaan. Mijn hotelbed roept.’ Ik knik. We spreken af dat hij de volgende morgen voor zijn vertrek nog een kop koffie komt drinken. Ik ga hem voor naar mijn voordeur en hou die open. Hij schudt me de hand en klopt me op de rug. ‘Goed je weer te zien man.’

‘Dat is het zeker.’ Zijn ogen glinsteren zoals toen.

Peter loopt mijn tuinpad af richting zijn auto. Bijna heb ik de deur al gesloten, wanneer hij zich omdraait en terugloopt. Terwijl hij nadert schuift zijn hand in zijn linkerbroekzak en haalt hij er iets uit dat ik in het donker niet kan zien. ‘Hier, ik had nog iets voor je. Van je, moet ik eigenlijk zeggen.’

Een stevige envelop glijdt van zijn hand in de mijne. Er zit iets bols in.

 

Die nacht draai en woel en staar ik, sluit mijn ogen maar open ze ook steeds weer. Steeds zijn er die beelden van de vlucht. Van de trein, van het Sperrgebiet tussen Oost en West. De ontvangst, de hoop, hoop die toen deed leven, maar waar zo weinig van werd waargemaakt in de jaren die volgden. Voor mij in elk geval.

Ik denk aan Peter, aan zijn vrouw, zijn kinderen, zijn bedrijf. Niks ben ik waard vergeleken met hen. Ik heb het allemaal aan mezelf te wijten. Lang kon ik mijn verleden de schuld geven, maar Peter is het bewijs dat ik geen excuus heb. Ik klim uit mijn bed en zoek in de zak van mijn broek naar het kado dat Peter voor me meebracht. Een kado waarvan ik dacht dat ik het jaren eerder had weggegooid, om mijn vorige leven definitief achter me te laten. Een kado waarvan ik niet weet of ik er blij mee ben. De nabijheid ervan maakt herinneringen in me los die me overweldigen. Ik pak het glinsterende object, schuif het terug in de envelop en loop naar mijn kledingkast. Ik duw wat hangende kleren opzij en reik naar de achterkant van de plank eronder, schuif de schoenendoos met knipsels en rommeltjes die daar staat naar me toe, open die zonder erin te kijken en leg de envelop erin. Dan duw ik de doos terug naar achteren, het donker in. Ik kruip mijn bed weer in en zak binnen een paar minuten weg in een koortsachtige slaap.

 

De schreeuwende koppen van mijn ochtendkrant dringen de volgende morgen niet tot me door. Vier pagina’s heb ik gedachteloos omgeslagen, wanneer wederom mijn deurbel klinkt. Peter duwt me een zak vers geurende croissantjes in handen en stapt binnen. Hij gaat me voor naar mijn woonkamer.

Nu gaat het gesprek wel over vroeger, of in elk geval over daar waar wij vroeger waren. En over hoe het daar nu zou zijn.

‘Wat zou je er van vinden?’ Hij kijkt me vragend aan.

‘Ik weet het niet. Je zei al dat jouw zoektocht ook veel emoties opriep.’ Achter me klinkt het vertrouwde geluid van het pruttelende koffie-apparaat, tegenover me zit een oude vriend die me wil meesleuren, weg uit mijn vastgelopen bestaan. Maar durf ik mee?

‘Wat houdt je tegen? Angst?’

‘Angst, ja.’

‘Angst, om je leven op zijn kop te zetten?’

‘Zoiets.’ Mijn stoelpoten piepen wanneer ze naar achteren schuiven over mijn vloer. Ik sta op, loop naar het koffiezetapparaat en pak de pot.

‘Wat heb je te verliezen, Hajo?’ Ik schuif aan en schenk koffie in, met moeite in de kopjes richtend.

‘Weinig, ik heb bijna niets. Ik zit diep in de put. Ik kan het niet aan.’

´Dus…’

‘Het is niet alleen angst.’

‘Wat is het dan?’

‘Ik ben boos, Peter.’ Bijna valt mijn stoel achterover wanneer ik opsta en me omdraai naar het raam, mijn armen over elkaar tegen mijn borst gedrukt.

‘Boos op wie?’

‘Boos op het systeem. Boos op de leiders van toen, die ons bedrogen hebben.’ Ik stop, maar Peter wacht op meer. ‘Maar vooral boos op mijn familie.’ Ik draai de balkondeur van het slot en loop naar buiten. ‘Even een sigaret.’

Ik wurm een peuk uit mijn verfrommelde pakje steek hem aan en inhaleer diep, leunend over de reling. Achter me hoor ik Peter het balkon betreden. Hij blijft in de deuropening staan.

‘Waarom ben je zo boos, Hajo?’ Ik blaas de rook uit, tot mijn longen leeg zijn, en neem een nieuwe hijs. ‘Ik heb liever geen familie dan een familie die me heeft laten stikken. En bovendien, wat als er inderdaad iets ergs gebeurd is? Wat kan ik daar dan mee?’

´Het geeft je in elk geval antwoorden.´

´Antwoorden waarop?´

´De vraag hoe ze zijn omgekomen. De vraag waarom ze er voor jou niet konden zijn.´

´De antwoorden zullen alleen maar meer vragen oproepen.´

´En andere familie? Wil je die niet nog een keer proberen op te sporen?´

´Nee, het is beter zo. Ik hoef geen familie meer. Mijn Nederlandse vrienden vormen nu mijn familie. Zij hadden toch ook contact met mij kunnen zoeken? Dat hebben ze nooit gedaan. Nu hoef ik ze niet meer. Ik ken mijn familie liever niet dan dat ik ze alsnog verlies. Trouwens, mijn psychiater zegt ook dat dit het beste is. Niet gaan wroeten in mijn verleden, maar verwerken. Loslaten.´

‘Ik heb een psychotherapeut in Duitsland gesproken die heel iets anders zegt. Die man is gespecialiseerd in DDR-trauma’s, hij is zelfs bereid met jou te spreken.’

Ik wil het niet Peter. Ik wil het niet.’

‘Oké Hajo, ik begrijp je punt. Laat mijn voorstel op je inwerken.’ Hij komt naast me staan en gebaart me om een peuk. Samen roken we, tot de laatste restjes onder ons naast elkaar op de stoep landen.

Peter kucht, hij is duidelijk niet meer gewend om te roken. ‘Ik moet nu gaan, Hajo. Ik bel je over een week, goed?’

‘Goed.’

‘En als je me eerder wil spreken, gewoon bellen.’

We omhelzen elkaar, slaan elkaar op de rug. Hij draait zich om en loopt naar zijn auto, net als de vorige avond. Weer draait hij zich om, op dezelfde plek.

‘Wat vond je ervan?’

‘Waarvan?’

‘Van wat ik je gisteren gaf.’

Even ben ik stil. Ik zoek naar woorden. Wil niet toegeven dat ik het niet aan heb gekund, maar wil ook eerlijk zijn. ‘Heftig.’

‘Heftig?’

‘Ja, behoorlijk heftig.’

‘Meer niet?’ Zijn ogen vragen iets, ik weet niet wat.

Ik schud mijn hoofd. Dan loopt hij naar zijn auto, start die en rijdt weg met een zwaai.

 

Ik sta op van mijn bed, misselijkheid overvalt me terwijl ik loop naar mijn kledingkast. Ik probeer tot rust te komen en na te denken, om mijn leven te overzien dat ineens op zijn kop staat, zelfs zonder reis naar mijn vaderland. Wat heeft het leven me gebracht sinds ik hier ben, sinds ik er alleen voor sta?

De kastdeur piept licht. Ik weet wat erachter ligt, voel een remming, maar stop niet. Ik schuif de hangende kleding opzij en zie hem daar staan: de schoenendoos.

Voorzichtig schuif ik hem naar me toe. Met mijn handpalm veeg ik de laag stof weg die zich op de deksel genesteld heeft. Mijn vingers zoeken de onderkant, trillen terwijl ze het randje aftasten. Dan duw ik het zachtjes omhoog. Een zucht klinkt, als adem, al die tijd ingehouden en nu uitgeblazen. Nu wend ik mijn blik niet af van de doos en zijn inhoud. Eerst zoek ik iets wat sinds een paar weken in de doos zat. Een boek, vol foto’s. Nu pas durf ik het te openen, blader erin. Foto’s van treinen, sporen, van Oost naar West. Een brok nestelt zich in mijn keel terwijl ik de bladzijden door mijn vingers laat glijden.

Tranen dringen zich op terwijl ik dat ene ding oppak waarvan ik al die tijd vergeten was dat het zo lang zo belangrijk voor me was, en zo lang in mijn onbewuste was blijven rondtollen. Mijn knikker.

Mijn verleden is terug. Niet langer sluit ik me af voor mijn leven achter de Muur. De strak naar voren gerichte blik heeft me niet geholpen en zal me niet verder brengen. Maar met de opening van de doos is mijn leven van toen weer in volle hevigheid terug in de tegenwoordigheid. Ik denk terug aan Dirk, aan Freek, maar vooral aan Peter, de Peter van nu, en de Peter van toen. 

 

Posted in HeikoComments (5)

Wij gaan ook

November 1989

‘Wij gaan ook.’

Peter keek me aan vanuit de deuropening. De woorden van mijn beste vriend gaven me geen gelegenheid voor een gewone begroeting. Hij gaf me geen klap op mijn schouder, plofte niet neer op de bruine bank in de bescheiden woonkamer van mijn appartement. Hij begon niet te vertellen hoe het sorteren van cassettebandjes in de ORWO-fabriek ook bij hem vandaag weer precies hetzelfde was als gisteren. En als eergisteren en eereergisteren. Direct draaide ik het gas laag en volgde Peter naar mijn woonkamer. Hij liep met grote stappen naar mijn radio en zette hem aan. Een krakende zender vulde de tien vierkante meter van het vertrek. We luisterden.

De regering van de Deutsche Demokratische Republik voerde hoog overleg. De leiders van de Partij werkten aan een oplossing voor de duizenden uit ons land weggevluchte burgers die waren vastgelopen bij de ambassades in Hongarije en Tsjecho-Slowakije van dat andere Duitsland.

Wat zich daar, op die ambassades en in die achterkamers, afspeelde was voor ons op dat moment een raadsel. En wat dacht men in het land waarvan we al 28 jaar hermetisch waren afgesloten – vier jaar langer dan mijn leven nu duurde. Zou er sprake zijn van toenadering? Zou er daadwerkelijk een oplossing komen?

Weer klonk de stem van Peter. ‘Hajo, wij gaan ook.’

Natuurlijk hadden we als beste vrienden wel eens gesproken over hoe het zou zijn om te leven in het Westen, hoe onrealistisch het IJzeren Gordijn die optie ook maakte. Vluchten was levensgevaarlijk, alleen plannen maken al kon je een lange gevangenisstraf opleveren. Wij hadden al die jaren geen concrete plannen. We hadden werk, eten en vrienden en voelden ons met rust gelaten door de Stasi.

Vrijheid kenden we niet, misten we ook niet. Maar alleen al de inwisselbaarheid van de dagen zorgde voor een sluimerende onvrede, die werd aangewakkerd door de onrust die de afgelopen maanden ook in onze stad Wolfen toe was genomen. De DDR-censuur had niet kunnen voorkomen dat ons via illegaal ontvangen Westerse tv-uitzendingen de berichten bereikt hadden over ruim honderdduizend landgenoten die via Hongarije en Tsjecho-Slowakije het Westen hadden opgezocht. Over de boodschap die de Hongaarse regering uitzond op negentien augustus, dat DDR-burgers niet langer tegengehouden zouden worden wanneer ze wilden oversteken bij de grens met buurland Oostenrijk. Over de duizenden mensen die deze mededeling zagen als een vrijbrief om naar het Westen te reizen, misschien wel voor altijd. Over het sluiten van de grens naar die landen, om het lek in de natie te dichten dat was ontstaan. Over de volksdemonstraties die eind vorig jaar in Leipzig begonnen, veertig kilometer zuidwaarts van hier, en die de laatste weken overal opdoken. We liepen mee. We beseften dat het systeem wankelde, al hadden we geen idee welke kant het op zou vallen. Die berichten maakten Peter onrustig en mij besluiteloos.

De stem die nu klonk vanuit de radio, die maakte het ineens concreet. Er was een kans dit leven te ontvluchten. Een kans die risico’s en gevaren met zich mee zou brengen. Peter leek ze niet te voelen. Uit zijn felblauwe ogen sprak zoveel overtuiging. Zijn schouders leken nog breder dan ze normaal al waren, alsof hij ze aanspande en zich schrap zette om de tocht te maken. Na al die jaren dat ik hem kende wist ik het zeker: dit was serieus.

‘Maar, wat als ze ons oppakken? Of erachter komen dat we vertrokken zijn?’ hoorde ik mezelf nog zeggen. Peter streek zijn hand door zijn sluike blonde haar.  ‘We wissen al onze sporen uit.’

Mijn hoofd bonsde, ineens drong het tot me door hoe zat ik de uitzichtloosheid was, de leegte, en de eentonigheid, de sleur die mijn leven de laatste jaren tekende. Ik wilde weten hoe het daar was, aan die andere kant van de muur.

Ik schudde mijn hoofd, alsof ik daarmee de gedachten op de juiste volgorde kon zetten. Peter hield in zijn rechterhand een pakje lucifers. ‘Hier, zorg dat ze niets kunnen vinden dat naar jou verwijst. Ik ga afscheid nemen van mijn ouders.’

Twee seconden stond ik daar als bevroren en zag vanuit mijn ooghoek Peter het huis verlaten. Ik kwam in beweging, malende gedachten stuwden me richting mijn slaapkamer. Met een waas voor mijn ogen graaide ik in het rond, gooide al mijn bezittingen op mijn bed: kleren, boeken, mijn songteksten, mijn glanzende knikker. Vastberadenheid en vlagen van angst streden een hevige strijd in mijn hoofd.

Ik dacht aan een jaar geleden, toen alles nog zo anders was. Hoe we langs de weg stonden, Peter en ik. Ik zwaaide met mijn vlaggetje, het Duitse zwart, rood, geel, met de hamer, passer en het rogge in het midden als symbool voor de arbeiders, boeren en intellectuelen.

Ik klapte, scandeerde zijn naam. Ik stond naast Peter en naast anderen, honderden anderen, die hetzelfde deden als wij. Ze glimlachten even overdreven. We wisten wat er van ons verwacht werd. Dranghekken gaven de scheiding aan tussen ons en de weg, daar waar de mensen van betekenis passeerden.

Gaten in het asfalt waren voor de gelegenheid volgestort met cement en bedekt met fluweelrode kleden. Achter ons bedekte een enorme rood-geel-zwarte vlag een woonhuis, naast ons glommen de lantaarnpalen, pas geverfd, alleen aan de kant waar de stoet straks zou passeren, want voor de andere kant was niet genoeg verf voorradig. Tegenover ons lag de Kaufhalle, met waren uitgestald, aangerukt uit alle winkels in de wijde omtrek om de grote leider trots te stemmen. Peter had net als ik tien mark in zijn zak, de beloning voor dit werk, bovenop ons salaris, want vrij kregen we hiervoor vanzelfsprekend.

Daar kwam de fanfare, ze speelden Frohlich sein und Singen, ik kende de tekst woord voor woord. Achter hen liepen de Pioniers, kinderen en tieners in blauwe en rode uniformen, ernstig kijkend. Zij mochten pas lachen nadat ze aan hun plicht hadden voldaan. Ze speelden op hun kleine blauwe trommels, slijtage maakte het met een lik verf verborgen rood van de Hitlerjugend nu en dan zichtbaar.

Een paar minuten nog, dan zou hij hier zijn. Hij zou langskomen, misschien zou hij ons aankijken, heel even maar, en dan verder lopen. Ik greep naar mijn heup, naar een flesje dat daar hing, hield dat eerst voor aan Peter, die een grote teug nam en er een voor mij overliet. Het goedje brandde door mijn slokdarm en wekte een golf van euforie op.

Euforie die ik achteraf alleen maar als tragisch kan omschrijven. Dit waren de hoogtepunten, hoogtepunten waar ik nu om kon lachen maar waar ik me toen aan vastklampte. De opwinding nam nog verder toe, toen de leider dichter naderde. Ik keek naar Peter, hij wees. Ja, hij was er nu bijna. We zagen rijen soldaten voorbij marcheren in bruingroene uniformen, met glimmende kalasjnikovs op hun heupen. Ze waren bijna voorbij, maakten ruimte voor de man waar alles om draaide. Onze Leider. Hij zette stevige stappen, keek ontspannen om zich heen door zijn dikke brillenglazen. Hij zwaaide en knikte naar de mensen, hij straalde. Wij straalden, want hij keek naar ons, nu, heel even maar, maar lang genoeg. Deze liefde was vanzelfsprekend: Honecker was als een vader voor me, toen, zoals zijn vrouw Margot mijn moeder was.

Zoveel anders was de situatie nu. De Leider was onze leider niet meer, hij trad af, drie weken geleden. Een week daarna was Peter voor het eerst begonnen over een vertrek. Ik had me overdonderd gevoeld, wilde erover nadenken. Nu was mijn bedenktijd dus op, al had ik niet het gevoel dat ik het besluit met overtuiging kon nemen. Maar wat wilde ik anders? Hier blijven en echt als laatste het licht uitdoen?

Terwijl mijn gedachten heen en weer schoten, liep ik met handen vol spullen op en neer tussen de twee kamers, tussen de kachel en het bed, steeds met in mijn armen een deel van mijn spullen. Ik schoof ze door het deurtje naar binnen. Nadat ik nog een keer naar mijn lege bed had omgekeken, overgoot ik mijn spullen met terpentine en stak ze aan. Binnen een paar tellen ontfermden de vlammen zich over mijn eigendommen. Het katoen dat ik jaren droeg versmeulde, zwarte randen verteerden mijn op wit papier gekrabbelde woorden. Ik pakte mijn paspoort, klapte het open, las mijn naam. Hajo Heese, geboren 3 september 1965. Ik pakte een pen en begon te krassen, eerst door de eerste letter van mijn voornaam, daarna door die van mijn achternaam. Toen gooide ik het document in het vuur.

Mijn bed was leeg, in mijn handen hield ik nog slechts één object dat was verbonden aan het leven dat ik weldra ging verlaten. De knikker, mijn vingers draaiden er omheen. Mijn hand bewoog zich richting het vuur, ik liet de knikker bijna los, maar bewoog hem terug, en liet de knikker in mijn linkerbroekzak glijden. Ik liet het deurtje van de kachel open staan en staarde in het vuur. Mijn wangen gloeiden. De rook prikte in mijn neus en deed mijn gedachten afdwalen naar het recent gebeurde.

Ik dacht aan de gebeurtenissen van een maand eerder. We vierden veertig jaar DDR, groots en uitbundig alsof er niets aan de hand was – maar haast iedereen wist beter. We zagen het. Winkels werden steeds slechter bevoorraad. Toiletten in de fabriek waar ik werkte werden letterlijk afgebroken, omdat mensen tegels, wc-brillen en toiletrolhouders voor eigen gebruik mee naar huis namen. Wilde ik na mijn werk douchen, dan moest ik de watertoevoer opendraaien met een tang, omdat de knoppen voor warm en koud inmiddels ontbraken. Intussen bleven de tv-journaals hetzelfde beeld tonen van ons land, een beeld dat al jaren hetzelfde, maar al lang niet meer geloofwaardig is: weer was er overproductie, weer waren er meer schoenen gefabriceerd dan verwacht. Maar in de winkels was nauwelijks nog een schoen te bekennen. Peter had gelijk, dit land had niets meer te bieden.

Prikkelende rook trok me terug naar het hier en nu, naar het nu of nooit. Ik hoestte en keek om. Peter was weer binnengekomen en stond achter me. Hij wenkte me en wees met zijn hoofd richting de voordeur. De vloerbedekking veerde zachtjes onder mijn voetstappen, het stof van vele jaren had een zacht bed gevormd waarop ik in slaap was gesust. Ik griste mijn jas van de kapstok. Snel zette ik nog de televisie aan, om mogelijke bezoekers de indruk te geven dat ik zo weer terug zou zijn. Terwijl de vlammen de laatste resten van mijn spullen verteerden en mijn sporen uitwisten, stapte ik door de deuropening naar buiten.

Voor ik verder liep keek ik nog een keer naar binnen, naar het vuur. Heel even bleef ik staan. Ik riep naar Peter dat ik bijna kwam, snelde terug naar binnen, trok het kastje naast mijn bed open, griste er de fles schnaps uit en zette die aan mijn mond. Een, twee, drie slokken klokte ik naar binnen. Een warm gevoel trok van mijn slokdarm naar de rest van mijn lichaam en steeg naar mijn hoofd. Van buiten klonk opnieuw de stem van Peter. Ik zette de open fles neer op het kastje en liep terug naar de voordeur.

‘Kom op, Hajo!’ Hij was al meters verder. ‘Waar wacht je op?’ De deur liet ik achter me open staan.

 

De vertrouwde straten vol grauwe, eenvormige flats en appartementen schoven langs ons, alsof ze werden opgevouwen en ophielden te bestaan. Overal waren woningen verlaten, deuren stonden nog open. Lampen nog brandend, schoorstenen rokend. Verlaten woningen, waarin zich vergelijkbare taferelen hadden afgespeeld als bij ons. Gesprekken over niet meer piekeren, over niets te verliezen. Het samenrapen van spullen, in een zucht afscheid nemen van een bestaan.

Gezinnen stonden samengeklonterd op straat of wurmden zich in ronkende Trabanten. Vaders gingen voorop, of ontbraken, waarschijnlijk omdat ze in de afgelopen maanden al een vlucht waagden via een ambassade. Daar gingen wij niet heen. Ook niet naar het chaotische Berlijn, waar de kans op Russisch ingrijpen het grootst zouden zijn. Nee, we richtten onze blik op de landsgrens met dat andere Duitsland.

In de schemering schuifelden we met de massa mee naar het treinstation van Wolfen. Moeders met schreeuwende, jankende kinderen om hun armen geklemd. Een jongetje hield in zijn andere hand een afgesleten knuffel. Ik probeerde me mijn eigen moeder voor te stellen in deze situatie, maar miste een gezicht en liet het beeld los.

Tientallen mensen wachtten en overlegden in de stationshal die we betraden. Vaak genoeg had ik de trein gepakt vanaf een van de perrons waar ik nu naartoe liep. Het stond volgepakt met volk, ze droegen tassen vol spullen, of helemaal niets zoals wij. Verheven stemgeluid van velen verraadde de onderdrukte opwinding. Ieder deed zich voor te wachten op een reguliere trein, richting een dorp of stad even verderop. Maar samen vertelden ze een heel ander verhaal.

Bij perron twee stond een roodwitte locomotief met erachter groene wagons; de trein richting Leipzig. Van daaruit reden er op gewone dagen treinen naar het Westen, voor bezoekers die terugkeerden naar hun eigen wereld. Peter wees en ging me voor. Even later zat hij schuin tegenover me in de tweedeklas coupé waarvan alleen de zitplaatsen bezet waren, omdat een politieagent ons met strenge gebaren verbood te staan in het gangpad waar hij en zijn collega’s met klinkende laarzen doorheen moesten marcheren. Maar die collega’s bleven buiten, met diezelfde lege, norse blikken. De bagagerekken boven de rechte bruinrode zitbanken bleven leeg. Niemand in deze trein durfde zijn plannen te tonen. Mijn ogen vonden een klok. Half acht. De deuren sloten, de trein kwam van zijn plek.

Peter zat naast een jonge moeder met een kind dat bladerde in een socialistisch prentenboek. Verderop dronken twee mannen pils uit grote bruine flessen en praatten luid en jolig over nietszeggende zaken. Graag had ik ook even een slok genomen. Af en toe zocht Peter mijn blik. Heel even keek hij me aan en dacht ik ook bij hem twijfel te zien. Maar meteen keek hij weer strak voor zich uit.

 

Na ruim een uur reden we Leipzig binnen. De deuren gingen open, mensen stonden op. Terwijl ik anderen voor liet gaan richting de uitgang, kroop een rilling over mijn rug. Zo soepel als dit ging, zo onzeker was onze nabije toekomst. Op het grauwe perron, dat ik met een behoedzame stap betrad, was het nog iets drukker dan in Wolfen. De menigte oogde iets opgewondener, maar nog altijd heerste de discipline. Nu zouden we de routine moeten doorbreken. Een weg kiezen die we nooit eerder waren gegaan.

Nergens stonden borden die ons de weg wezen. We keken elkaar aan, Peter en ik, wisten niet waarheen we konden. Wat hadden we eigenlijk verwacht, dat hier een ontvangstcomité klaar zou staan, om ons op fluwelen stoelen te begeleiden naar ons nieuwe leven? Agenten stonden in groepjes aan de randen van de perrons, gewapend met knuppels en kalasjnikovs, rokend, pratend. De mensen hielden afstand, de agenten zochten geen toenadering. Ze stonden daar maar, terwijl de massa oprukte naar de wagons die ons naar elders moesten brengen.

Treinen zagen we wel, maar niet naar die overkant. We zwierven over het perron, zoekend naar een doel dat er nog niet was, of in elk geval nog niet zichtbaar en aanwezig. We zochten de plek met het meeste overzicht en vonden die aan de rand van perron twee, waar we wachtten tot de onrust ons weer in de kraag vatte en in beweging bracht. Heen en weer, heen en weer, tussen hoop en vertwijfeling.

Het eindeloos staren deed me een systeem ontdekken in de nummers op de roodgrijze diesellocomotieven van de Reichsbahn: drie cijfers, met een één voorop, dan nog drie, een streepje en een laatste cijfer. Ik begon ze te sparen, die laatste cijfers, van een tot negen, als een laatste bezit in dit land, niet tastbaar maar wel concreet. Mijn ogen prikten van het telkens turen naar die volgende binnenrollende locomotief.

Het was gaan regenen. Fijne, alles doordrenkende druppels. We zochten beschutting onder een afdakje, maar moesten steeds in beweging komen om alle perrons te kunnen overzien. Ik wist niet meer waarop we hoopten en waarom er treinen zouden rijden naar daar waar wij heen wilden? Peter gebaarde me niet op te geven, het nu of nooit was nog niet verstreken. Hoe lang zou het ons respijt geven onze kans te grijpen? Verschillende treinen vertrokken, maar alleen naar andere bestemmingen in de DDR. Mijn haar was zeiknat, mijn kleding doorweekt. Mijn benen verkrampten van waterkou, spanning en richtingloos geslenter.

Ineens was daar een locomotief met een zelfde soort cijfercode, waarschijnlijk stamde het systeem van voor de opsplitsing, maar een ander kleurenpatroon: wel rood van onderen maar vaalwit van boven en toelopend in een punt, en met een cijfercode die niet klopte, gevolgd door treinstellen die ik nooit eerder zag. Nooit eerder op een station in elk geval, zo open en bloot. Wanneer er zo’n trein arriveerde, dan was het perron normaal gesproken reeds hermetisch afgesloten van onze wereld, door zwarte schermen met daaromheen streng kijkende agenten.

Op de wagons van deze trein blonken de letters DB. Deutsche Bundesbahn. ‘Hannover’ stond op het perronbordje. Hannover, ja het stond er echt. Het Westen. Ik wees met mijn trillende arm naar de wagons. Meer mensen stapten er in en gebaarden naar anderen buiten. Het waren geen westerlingen, dat zagen we direct aan hun bedompte kleding. Peter knikte. We liepen erheen, samen met tientallen anderen. Met mijn blik gefocust op de wagondeur, legde ik de meters door de mensenstroom als vanzelf af. Dit kon niet kloppen, flitste het door mijn hoofd. Dit kon niet kloppen.

Maar dat deed het wel. Peter stapte voor me het trapje op en hees zich omhoog. Mijn hartslag versnelde, druppels zweet boorden zich door de plooien van mijn nek. Peter stak zijn arm naar me uit. ‘Kom op!’ Ik plaatste mijn rechtervoet op de onderste trede, greep zijn uitgestoken hand en trok me op.

De coupé stroomde langzaam vol. Weer werden alleen zitplekken ingenomen, de regels van het systeem dat we ontvluchtten protestloos gehoorzaamd. Peter zat twee rijen bij de raamplek vandaan die ik had bemachtigd. Ik knipperde met mijn ogen, sloot ze even om ze rust te gunnen en opende ze weer. De beklede banken waren smetteloos, gestreken kleedjes sierden de ramen, glanzende bagagerekken waren boven ons aan de wanden bevestigd. Onwerkelijk was het, alsof we van het ene op het andere moment Westerse modelburgers waren geworden. Ik keek naar buiten. Zouden de agenten en soldaten die daar stonden nu, of straks, alsnog hun gezicht uit de plooi halen, hun wapens uit de holsters?

Voorlopig deden ze niets, bleven ze buiten en leken ze te wachten op instructies. En dus zaten wij hier, in een onwerkelijk decor, wachtend, niet wetend hoe lang. Niemand trok zijn mond open, alsof ieder woord deze droom kon doorbreken. Deze droom die nog steeds ieder moment zou kunnen ontaarden in een nachtmerrie.

Kwam die trein maar gewoon in beweging, dan waren we in elk geval weer een stap dichterbij ons doel. Geen agenten, geen personeel maakte aanstalten de wagons te betreden. De perrons waren inmiddels verlaten, op enkele agenten na die met honden heen en weer liepen door de miezerige schemering. Heen en weer, heen en weer, tussen vertwijfeling en routine.

Binnen hadden we niets om op terug te vallen. Geen vertrouwd ritueel, geen gemakkelijke gewoonte. Geen enkele beweging leek op zijn plaats, niets doen was het beste maar niets doen kostte meer energie dan iets doen.

Een man die een paar meter bij me vandaan zat tikte met zijn voet. Drie, vier keer ging zijn linkerschoen op en neer en hield dan weer stil onder druk van dwingende blikken, om even later weer in beweging te komen. Het geluid dat anders ruimschoots werd overstemd, vulde nu de hele ruimte. Vier keer tikken, vier keer tikken, het vormde een mantra van tijdsloosheid in de hoofden.

Ik fixeerde op de neus van zijn schoen, de zool zat een klein beetje los aan de voorkant. Zouden ze dat in het Westen nog oplappen? Of zouden ze daar alleen nieuwe schoenen verkopen? De vrouw die de echtgenote van deze man leek te zijn keek hem aan, wanhopig, beet op haar nagelriemen. Eentje had ze kapot gebeten, waardoor er na elke volgende keer een klein spoortje bloed op haar wang achterbleef.

Peter staarde voor zich uit. Hij leek weg, ver weg van waar ik was. Bevonden zijn gedachten zich al elders, aan de andere kant van die grens? Of durfde hij slechts te hopen op niets, zoals ik? Mijn gedachten waren al tien keer afgedwaald naar mijn woonkamer, naar het na smeulende kolenkacheltje en de fles schnapps die ik zo graag hier had gehad. Even zovele keren vertrok ik, soms de deur open latend, soms die achter me dichtslaand. Ik verwonderde me erover dat dit beeld steeds terugkeerde, alsof het van cruciaal belang was hoe ik het huis had achtergelaten waar ik nooit meer zou terugkeren.

Ik dacht aan vroeger, aan later, maar de beelden kwamen niet. Alles was zo donker als de nacht die inmiddels was ingetreden. De paar perronlampen buiten en de tl-buizen hierbinnen waren het enige licht in mijn leven, dat verleden noch toekomst had.

Ik probeerde de tijd in te schatten. De volgende dag moest al ingegaan zijn. Zeker een uur waren er geen andere treinen meer aangekomen of vertrokken. Zeker een uur zaten we in deze vooruitgeschoven post van het land waarnaar we verlangden en waarvan we nog niet wisten of het een handreiking was of een lokdoos, die ons even ver van huis als van ons beoogde doel zou brengen. Iedere ingehouden kuch klonk als een oorverdovende donderslag. De glimmende wanden en het strakwitte plafond leken tergend langzaam op ons af te komen.

Toen, een fluittoon die mijn oren deed suizen. De deuren klapten dicht en piepend kwam de locomotief in beweging. Onderdrukte zuchten losten op in dat bevrijdende geluid.

Heel langzaam trok het perron aan me voorbij. Naast me begon een jongetje van een jaar of vijf heel zachtjes te snikken. Met moeite onderdrukte ik de impuls zijn keel dicht te drukken met mijn handen, om de door angst afgedwongen stilte in stand te houden.

De moeder probeerde haar zoontje met haar hand te sussen, maar de onbeheerste beweging van haar arm verraadde ook haar vrees. Haar vingers raakten zijn neus, het kind verstijfde, hield even zijn adem in en begon te huilen. De moeder twijfelde, leek de reeds doorbroken stilte in stand te willen houden, maar besefte dat niets doen de slechtste oplossing was en knuffelde haar zoon tot hij weerkeerde naar een acceptabel snikken. ‘Het komt goed, het komt goed,’ fluisterde ze in zijn oor, precies zo luid dat een ieder in haar nabijheid haar woorden kon horen.

 

Na uren van niets dan het regelmatig geroffel van de bielzen onder ons kwam de trein midden in een grasland met een snerpend geluid tot stilstand. We stonden in het niets.

Niemand stond op. Ik telde kaalgeschoren schapen om de tijd te doden, schapen die over een hek sprongen richting een groenere weide, maar kwam steeds niet verder dan zeventig omdat mijn gedachten dan weer afdwaalden of stokten, alsof het verstrijken van de tijd zo’n traagheid had bereikt dat verder tellen niet meer mogelijk was.

Het was als iedere minuut opnieuw zwetend ontwaken uit een droom, maar dan was het geen droom, het was echt en het zweten werd erger. Ik bevond me in dezelfde ruimte als tien, dertig, zestig minuten eerder, waarin niets was veranderd behalve de kleur van de omlaag gerichte gezichten van de mensen om me heen, van bleek naar strak wit.

Van buiten klonk het geluid van klinkende laarzen op het zandpad, ik keek naar buiten en zag agenten naderen. Even verderop draaide een meisje haar ogen naar het plafond en viel flauw. Omstanders schoten haar moeder te hulp, brachten het meisje bij en zetten haar zonder een woord terug op haar zitplaats. Beduusd keek ze voor zich uit, knijpend in de linkerhand van haar moeder, die met haar andere een traan wegpinkte.

Ik probeerde te denken aan mijn eigen leven als tienjarige. Onbezorgd en voorspelbaar. Ik dacht aan Dirk, voelde in mijn broekzak waar de knikker nog steeds zat, kneep erin. Het gaf me kracht, heel even. De agenten waren voorbij gelopen.

Mijn maag rommelde, deed anderen opkijken en mij grijpen naar mijn buik, een vergeefse poging om het geluid te dempen. Honger was het niet. Mijn klamme zweet had mijn hemd verzadigd en deed het plakken op mijn rug. Mijn mond was kurkdroog, mijn blaas hard. Opstaan en naar het toilet lopen durfde ik niet en kon ik niet. Mijn ledematen waren stram en verkrampt. Ieder stukje van mijn lichaam leek verzadigd door de spanning die in deze coupé hing.

We voelden een licht schokje. Heel langzaam trok de trein weer op en reed stapvoets een overkapt station binnen. Met mijn neus tegen het glas geplakt zag ik buiten soldaten hun werk doen, geroutineerd alsof het een dag was als alle andere: hun grote zaklampen en glanzende spiegels speurden de onderkant van de treinstellen af, routineus op zoek naar verstekelingen, alsof ze niet wisten dat heel de trein daarmee vol zat. Honden met ontblote tanden sprongen schuimbekkend tegen de wagons op, hun haren stonden overeind alsof ze een meedogenloos onweer voelden naderen. De soldaten schreeuwden naar elkaar, schopten de dieren. Het protocol gelijk, de details zo anders. De trein hield halt. Nog altijd sprak niemand.

De wagondeur zwaaide open. Een hoge DDR officier kwam de coupé binnen. Hij keek rond, met zijn geveinsd zachte blik leek hij ons vertrouwen te willen winnen. Op vele gezichten om me heen las ik wanhoop, spijt en radeloosheid. De lucht raakte verzadigd van zweet, angst en onzekerheid. Zelfs buiten was de spanning voelbaar, voor de nog venijniger trekkende en blaffende honden. Nog harder raakten schoenen hun flanken.

‘Als u geduldig bent en meewerkt, kunt u allen straks 25 D-Mark ophalen bij ons kantoor.’ Resoluut draaide de officier zich om en verdween. Door het raam zag ik hem langslopen, zijn blik bedrukt. Heel even kruiste mijn blik die van de omkijkende Peter. Zijn gedachten kon ik niet raden, evenmin als die van de leiders in Berlijn, de goden, wie het ook waren die achter de schermen over ons lot beslisten.

Weer werd er gerommeld aan de deur. Drie soldaten kwamen binnen. ‘Paspoorten!’ schreeuwde de voorste terwijl zijn collega’s op de passagiers af stapten en de documenten van de inzittenden begonnen te controleren. Ruw pakten de soldaten de documenten uit trillende handen van opgesprongen passagiers en stopten ze in een grote, grijze zak die een van hen bij zich droeg, intimiderende woorden tierend wanneer het hen te traag ging. Af en toe hielden de twee halt en keken iemand indringend aan. Een van hen pakte een kromgebogen zittende man bij zijn schouder, sleurde hem omhoog en duwde hem het gangpad in. De man kermde zacht met hoge stem. De agent fouilleerde hem ruw, graaide in zijn zakken en duwde hem terug naar zijn plek. De anderen schudden tassen leeg op de wagonvloer en gristen eigendommen en DDR-geld weg. Ze kwamen bij mij aan, ik veerde op. ‘Spullen bij je?’ Ik schudde mijn hoofd. De man gebaarde me met mijn armen wijd te gaan staan. Hij stapte op me af. Zijn handen gingen over mijn lichaam, tastten in mijn zakken, gleden langs de knikker en gebaarden dat ik weer moest gaan zitten. De man liep verder.

‘Daar, geld ophalen!’ Hij wees naar het einde van het gangpad. Ik keek wel naar waar hij wees, maar volgde zijn aanwijzing de Westerse biljetten uit Oosterse hand te ontvangen niet op. Ook Peter ging niet. Ik zat weer, naast hem nu, keek  om me heen om te zien wat de anderen deden. Een vrouw naast ons keek wanhopig naar haar man. Doe het niet, schreeuwden haar ogen. Hij knikte zachtjes. Niemand ging. Niemand wachtte op het moment waarop een ander als eerste opstond. Niemand liet zich verleiden een teken te geven dat kon worden opgevat als een handreiking naar het systeem, een herroeping van het besluit te vertrekken. Ook ik weigerde dit even symbolische als ongemeende cadeau van een regime dat ons al jaren niet meer gaf wat het zei te geven. Tien minuten verstreken, de uitgestoken hand werd collectief afgeslagen.

Nog één keer liepen de soldaten heen en weer door het gangpad, stoïcijns. Ze zeiden niets. Toen verdwenen ze. Buiten liepen ze wat heen en weer. Ze bliezen grote wolken van gelatenheid. Eentje schopte tegen een bankje. Hun schouders hingen. Zouden ze evenveel weten als wij? Of meer, en wat dan?

Binnen kwamen mensen los uit hun verkrampte houding. Ze begonnen te praten. Eerst zacht en in korte zinnen. Toen luider, overtuigender. Een stevige jongeman opperde dat de muur geopend was en deed een siddering door de coupé trekken. Een andere man reageerde cynisch, even cynisch als wij al die jaren dachten, en deed mensen instemmend knikken. Onderhuids bleven er de twijfels, ook hier, in het niemandsland tussen Oost en West, waar we ons nu al enkele uren bevonden.

De trein kwam weer in beweging, niet snel, maar onmiskenbaar. De officieren trokken hun honden naar achteren. De stilte keerde terug. Ik voelde hoe de bielzen in een steeds hoger ritme onder de wielen door schoten. Het geluid bracht me in een roes. Terwijl we verder reden liet het duister zich verdringen door een voorzichtige schemering. We moeten een uur verder zijn gereden, toen het licht van felle schijnwerpers opdoemde door de beslagen ruiten.

Met mijn mouw veegde ik de condens van het glas. Mijn ogen schoten heen en weer en grepen zich steeds heel even vast aan iets in de langsflitsende omgeving. Bunkers in weilanden. Hekken vol prikkeldraad. Zoals me verteld was over de Antifascistische Schutzwall als kind, als puber, als jongvolwassene, dag in dag uit. Maar iets aan het beeld dat tot me doordrong klopte niet. Ik knipperde met mijn ogen, maar het beeld bleef hetzelfde. Wat ik nu waarnam verscheurde mijn wereldbeeld. Stroken aangeharkt zand lagen er, met obstakels, bunkers, kanonnen. Maar ze stonden niet gericht naar dat ‘duivelse Westen’. Ze stonden gericht op ons. De eigen burgers, inwoners van de trotse republiek waar nu zo weinig van over was.

We reden verder, het Westen in. Hier waren geen veiligheidsmaatregelen genomen. Geen afschrikwekkende obstakels opgesteld. We reden dat verboden grondgebied binnen en nu pas zag ik de omvang van de leugen waarin ik al die jaren had geleefd.

Ineens waren er weer soldaten in onze coupé. Eerst schrok ik nog en zag om me heen dezelfde verstijfde blikken. Maar deze uniformen zagen er anders uit. De tred niet stijf maar losjes, de gezichten vriendelijk en warm. Dit waren geen DDR-representanten. Dit waren West-Duitse soldaten. Eentje ging er midden in het gangpad staan. ‘Hartelijk welkom in de Bondsrepubliek Duitsland.’

 

Posted in HeikoComments (3)

Sleurwerk

Je staart naar de 240 pagina’s die je hebt geschreven. Hoe lang geleden begon je? Vier jaar, ruim. Als je had geweten aan wat voor een project je begon, had je het dan ook gedaan? Het leek een kans die je in de schoot werd geworpen. Het verhaal was er, jou restte slechts het componeren, het schaven, het opschrijven.

Hoeveel zondagmiddagen je sleet bij hem op de bank, hoe vaak je de trein in stapte terwijl je ook tienduizend andere dingen had kunnen doen, je bent het vergeten. Hoeveel boeken je las, ter achtergrond, films, documentaires, gesprekken met experts en ervaringsdeskundigen. Allemaal om dat verhaal te doorgronden, te verrijken. Weekenden blokkeerde je, dat moesten je vrienden maar accepteren. Dat deden ze ook.

Je schreef, schrapte, schreef, en leerde schrijven. De gereedschapskist waarover je beschikte bleek slechts één lade diep, je had er meer nodig en spaarde door. Had je het beter om kunnen draaien? Misschien, maar al doende leert men het best.

Nu zit je hier en staar je naar het resultaat, dat voor jouw gevoel nog lang geen resultaat is, hoe enthousiast die paar meelezers ook waren. Het moet beter. Het moet in elkaar vallen, als een puzzel waarvan de stukjes er zijn, maar nog niet op de juiste plek liggen.

Je zoekt naar de ultieme compositie, die al die draadjes die je hebt aangebracht doet aansluiten en doorlopen.

Na zo’n avond als twee weken geleden, toen zag je het weer, al was het na twee biertjes en een avond vol bespiegelingen. De frisse blik op die woorden die je al zo vaak bekeek deed je goed, gaf je moed. Maar na de euforie komt de realiteit: nog meer werk, sleurwerk, uren, dagen, weken.

Je zoekt naar de vorm, als een voetballer die hoopt op het juiste moment te pieken. Je zoekt de juiste stemming. Niet de drukte van je dagelijks bestaan, maar ook geen absolute rust. Je sleutelt aan randvoorwaarden, maar beseft ook: wie wil schrijven moet gewoon gaan zitten. Dwingen te gaan zitten, afgesloten. En dan wachten, tot de rust in je hoofd de weerstanden wegvaagt, alsof dat verstopte vat naar je creatieve brein wordt open gedrukt. Dan vloeien de woorden, ze tillen je op, je kunt niet stoppen, je wilt het ook niet. Dan weet je weer waar je het voor doet. Schrijven is hard werken. En geduldig zijn.

Posted in HeikoComments (0)

Iemand anders

Het is 2 juli en zonnig in het Utrechtse Julianapark. We slenteren, zoals we dat vaker doen op onze zondagmiddag in boeksferen. Pratend, af en toe stoppend om de fontein, een bloem, een hert of kalkoen achter een hek te bekijken. Straks is het tijd voor de foto’s, van zijn trip naar mijn geboortegrond. Eerst even lopen, ik wilde eerst even lopen.
‘Ik weet niet of het goed is als het hele verhaal bekend wordt.’
Hij kijkt me aan. ‘Wat bedoel je precies?’
‘Nou ja, mijn hele leven. Tot en met nu.’
‘Ah, oké. Waarom?’
‘Nou ja, de meeste mensen om me heen weten niet hoe het met me gaat. Wat er met me aan de hand is. Mijn beste vrienden wel, maar verder niemand.’
‘En dat wil je zo houden?’
‘Eigenlijk wel ja. Niet iedereen hoeft te weten dat ik ziek ben. En ik schaam me voor mijn uitkering. Je weet hoe ze daar tegenwoordig over denken, buitenlanders en uitkeringen.’
Hij knikt.
‘Als ik ooit nog aan de bak wil komen, kan ik ook maar beter niet bekendmaken wat ik allemaal heb meegemaakt. En waar ik allemaal last van heb.’
‘Dat snap ik.’
‘Kunnen we niet bijvoorbeeld ophouden bij 1995 bijvoorbeeld? Toen ging het goed met me. Toen had ik mijn eigen bedrijfje, toen draaide ik lekker mee hier.’
‘Tja. Ik kan me voorstellen dat je dat graag zou willen, maar dat kan niet. Het draait nou juist om die laatste jaren.’
‘Oké…’
‘Juist dat verleden, de aanpassing aan het nieuwe leven, en de terugslag omdat je verleden nog steeds een onderdeel van je is, die hangen samen. Dat is de kern van het verhaal.’
‘Begrijp ik.’
‘Wat we wel kunnen doen, is de hoofdpersoon een beetje aanpassen. Een andere naam geven, een andere woonplaats. Met hetzelfde verleden. Zou je je daarin kunnen vinden?’
‘Zodat iemand anders mijn leven beleeft? Dat zou wel kunnen ja. Ja, dat klinkt wel goed.’
Zijn gezicht klaart op, het mijne ook. ‘Oké, doen we dat. We moeten het in elk geval op een manier doen waar iedereen mee kan leven. En jij vooral.’ Hij grijnst. ‘Hoe wil je dat ik je ga noemen?’

Posted in HeikoComments (0)

Eindstation

Dit is het dus. De laatste halte van zijn oude leven. Bahnhof Wolfen. Daar waarvandaan die negende november 1989 zijn trein vertrok en hem afleverde in een ander leven. We staan op perron twee en kijken verdwaasd rond. Op het eerste gezicht leek het een gewoon station. Vier perrons, even verderop een wachttorentje, een klassiek stationsgebouw aan de kant van spoor één. Maar nu we beter kijken zien we iets heel anders. Naast het ogenschijnlijk pas opgelapte spoor dat in het midden loopt, liggen twee andere sporen, doodlopend. Even verderop richting het westen liggen er nog twee, ook eindigend in het niets.

De perrons zien er nieuw uit, waarschijnlijk nog dit jaar gerenoveerd. Maar de bouwlieden hebben niets meer gedaan dan de troep uit de weg halen waar dat strikt nodig was. De overige resten liggen er nog. Op zo’n manier, dat het oude Wolfense station door het nieuwe heen schijnt, alsof het is verdrongen  maar weer omhoog is gekropen. Het geeft het geheel een niet alleen rommelig, nee zelfs mismaakt uiterlijk.

Ik wijs naar het stationsgebouw. Daar moeten we kijken. Vanaf perron één gezien lijkt het gebouw volledig verlaten. Het rode dak is intact, van de ramen slechts de helft. Ik probeer door een van de kapotte raampjes naar binnen te kijken. Niets te zien. We lopen om het gebouw heen richting de kant van het dorp, de kant waar moderne streekbussen af- en aanrijden. Via verschillende kapotte raampjes zie ik lege ruimtes, achtergelaten als door een huurder die de opknapbeurt volledig aan zijn opvolgers overlaat. Ik loop verder, richting de hoofdingang. Ik stop en frons. Tot mijn verbazing blijkt de deur gewoon open te staan. Ik stap naar binnen in de ontvangsthal. Mijn grote ogen draaien in het rond en zien graffiti, dichtgeplakte loketten en kapotte ramen. In het midden: een jong Turks gezin op een bankje. Ze kijken me schuchter aan. “Nicht gut, diese station hè, zegt de moeder.” Ik knik. “Ein bischen kaput ja.”

Ik loop een rondje door de hal en zie dat de stationstrap naar beneden richting de sporen begaanbaar is. Een donkere, vochtige gang openbaart zich voor me. Eerder een prettig heenkomen voor ratten dan voor reizigers, constateer ik. Ik loop verder en zie de ondergekladde bordjes richting de perrons. ‘DDR’, staat er op eentje. Hoe kan dit, vraag ik me af bij iedere stap die ik zet. Hoe kan dit, in een dorp dat al twintig jaar gewoon onderdeel van het rijke, machtige Duitsland is?

Dit is dus wat er over gebleven is van de plek waar mijn hoofdpersoon zich op die gedenkwaardige dag nog één keer omdraaide en daarna nooit meer. Dit is wat er gebeurde na zijn vertrek: nieuw leven ontstond, in de vorm van het welgesteld ogende dorp dat tien meter verderop begint. Het oude verschrompelde en verpauperde. Ook hier zou zijn oude leven zijn opgehouden. Ook hier had hij opnieuw moeten beginnen. Wat zou er van hem geworden zijn als hij was gebleven? Als hij er getuige van was geweest dat er niets was overgebleven van wat hij ooit was, of in elk geval dacht te zijn?

Posted in HeikoComments (0)

Onbekende, bekende stad

Het is een vreemde ervaring. In het donker arriveren in een onbekende maar tegelijk zo bekende stad. Wolfen. Daar waar mijn hoofdpersoon eenentwintigenhalf jaar geleden halsoverkop vertrok en nooit meer terugkeerde. Ineens ben ik er. Wroetend in zijn verleden.

Eindelijk is het zover. Ik ben er. Was het zo ver? Nee, krap zeven uur rijden is niets meer tegenwoordig. Maar toch moest het drie jaar duren sinds mijn eerste kennismaking met mijn personage, voor ik daadwerkelijk zou afreizen naar het gebied waar een groot en belangrijk deel van zijn leven zich afspeelde: Sachsen Anhalt, ver in het oosten van Duitsland. Achter het toenmalige IJzeren Gordijn.
Wolfen, de stad waar hij ter rode aarde kwam. Halle, Wittenberg, Mildenau, waar hij delen van zijn jeugd doorbracht. Dit weekend zal voor mij een vogelvlucht zijn door zijn vroegere leven. Een vogelvlucht waarin ik af en toe een flard van de sfeer, het leven uit die tijd probeer op te vangen.

Morgen zullen we de restanten bezoeken van de filmfabriek van ORWO, het Oost-Duitse AGFA, waar mijn personage jaren werkte. Het kleine deel van de fabriek dat er nog staat bevat een museum, waar waarschijnlijk weinig historie te vinden valt. Onze pensionhoudster beloofde ons bij aankomst morgen in contact te brengen met een oud-werkneemster van de fabriek. Zal zij ons dingen kunnen vertellen die de verhalen die ik eerder hoorde aanvullen of bevestigen? Of werpen ze een heel ander licht op de zaak?

Posted in HeikoComments (0)

Berlijn – impressie

Drie, vier dagen Berlijn. Vier dagen met een missie, toch ontspanning ook. Zij ging mee. Ik moest er geweest zijn vond ik, moest toch eens gaan. Het moest er van komen, nu. Op zoek naar indrukken, feiten, ideeën. Voor dat verhaal in wording, steeds meer in wording.

De heetste week van het jaar hadden we niet voorvoeld. We accepteerden ons lot, pasten ons aan.

Vroeg opstaan bleek vooral een goed voornemen, half twaalf de magische tijd van vertrek. Het heetst van de dag naderend stapten wij in U of S, op weg naar bestemming; drie dagen op rij. Zij stippelde uit, liggend op bed; meestal zij. Hier overstappen, daar eruit. Even checken op het internet, want zonder zijn we niets meer.
Een verre tocht door heel de stad werd beloond. Het Stasigevang, of wat daarvan rest, rondgeleid door een man die er eens zat, en jaren over zweeg. Indrukwekkend de afschrikwekkende taferelen die zich afspeelden in de tijd waarin wij zorgeloos opgroeiden. Grauwe gangen, duistere cellen, verbijsterende anekdotes over gewurgde zielen.
Warmte overmeesterde. Voeten steeds vermoeider, schoeisel slecht, veel te slecht. Heel even verder nog, een andere tram in. Naar een wijk zoals vroeger, achter de Muur, proeven aan die sfeer. Rijen grijze flats, soms kleurrijk opgefleurde balkons en zonneschermen. Volks, massaal, maar niet droevig of slecht. Indruk opgeslagen.

Terug naar centraal, we eten wat. Hamburger met spek, en Duitse curryketchup. Weizenbier. Ik bestelde, voerde het woord. Meestal ik. Steeds beter.

Toen, afgepeigerd, tram weer in. Hotelkamer. Slaap.

Tussendag, geen musea, wel wandeltocht. Afgebroken, voortijds, door zonkracht verslagen. Rondgekeken, dat wel. Rustige stad, geen hectiek zoals elders. Overweldigend of betoverend, dat ook niet.

Gedronken, gegeten, ontspannen, winkels in en uit. Weer eten, pizza voor drie, toch bijna op. En verfrissende drank, bij zwoele heldere hemel.

Laatste dag die volledig was, en nuttig ten doel. Een hele dag, was ons gezegd, voor dat museum waar we na twee uur weer uitstapten. Benauwd, veel te benauwd. Wel boeiend, nieuw niet. Slenterend verder, stad verkennend. consumptiedrang, westerlingen zijn. Hollander ook. Veel kijken, weinig kopen.

Tot slot was daar de loop der geschiedenis, rond dat belangrijke jaar, eind van de tachtigers. Uitgesteld op een plein, voor onze ogen. De wankeling, de val, het opkrabbelen. Ik schuifelde, erlangs, fronste, noteerde. Zij wachtte, geduldig, zittend, soms lezend ook.

De trip slaagde, met die kennis erbij.

Laatste avond nog. Weer iets eten, terug bij af. Restaurantje dichtbij, zelfde bediening, zelfde drankje. Cirkeltje rond. Slaap restte. Een laatste ontbijt. Milchkaffee. Trein in.

Posted in Heiko, ReizenComments (0)

Nu of nooit

De wind suist langs mijn oren en doet mijn jasje wapperen. Ik heb het niet koud: de lentezon straalt in volle glorie. Om me heen strekken ze weilanden zich uit. Links en rechts de klassieke rieten daken. Ze stralen een atmosfeer van vertrouwen uit. Ik snuif de lucht van gedroogd gras op en blaas hem fluitend uit.

Mijn benen gaan als een dolle rond. Ik voel de energie stromen. Een zwerm vliegen dwarrelt in mijn gezicht, dringt door mijn mond naar binnen. De lach op mijn gezicht verdwijnt niet.

Ik ben schrijver. Langzaam dringt het tot me door. Daar waar ik jaren mee rondliep, op wachtte. Steeds weer die vraag: wanneer komt dat boek nou? Het bleef abstract. Wacht maar af, dat komt nog wel. Realisme, uitstelgedrag.

Maar nu, nu zal het erop aan komen. No more excuses.

Toen hij me zijn levensverhaal vertelde, besefte ik het meteen: dit is een gouden kans. Een overduidelijk nu-of-nooitje. Hier moest ik voor gaan.
Geboeid hoorde ik zijn relaas aan. Zijn jeugd, in een weeshuis achter de muur. Zijn besluit, halsoverkop te vertrekken, op de dag dat de muur viel. Zijn leven als een man zonder verleden, dat langzaam weer vorm kreeg. Successen kende, en nauwelijks grenzen.
Tot er magere jaren aanbraken. Hele magere jaren. Er toch een verleden bleek, dat al die jaren had nagesmeuld en nu in volle heftigheid ontbrandde. De vriendschappen die hem er doorheen sleepten. Het geloof in het leven deden behouden.

Zijn verhaal raakte me. Het raakte me, maar inspireerde me ook. Dit mocht niet verborgen blijven, zou mensen in vervoering brengen. En ik zou dat gaan doen. Ik zag de verhaallijn. De thematiek. De symboliek. Die gedachten deden mijn hart een klein beetje overslaan.

Nu de wind me door het landschap richting huis blies, suisden er vele gedachten door mijn hoofd: hoe pakken we dit aan? Waar gaan we beginnen? Hoe ga ik dit inpassen? Heb ik het niet te hoog in mijn bol gekregen? Kan ik dit aan?

Ik besluit de gedachten opzij te zetten. Geen tijd voor praktische bezwaren, bedenkingen, twijfels. De antwoorden zullen komen. In de loop van de tijd, met de groei van het verhaal.

Posted in HeikoComments (0)


Jopinie @ Twitter

PHVsPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZHNfcm90YXRlPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzE8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjVhLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzI8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjViLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzM8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjVjLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX2ltYWdlXzQ8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzEyNXgxMjVkLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX21wdV9hZHNlbnNlPC9zdHJvbmc+IC0gPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfbXB1X2Rpc2FibGU8L3N0cm9uZz4gLSB0cnVlPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfbXB1X2ltYWdlPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tL2Fkcy8zMDB4MjUwYS5qcGc8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF9tcHVfdXJsPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfdG9wX2Fkc2Vuc2U8L3N0cm9uZz4gLSA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF90b3BfZGlzYWJsZTwvc3Ryb25nPiAtIHRydWU8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF90b3BfaW1hZ2U8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb20vYWRzLzQ2OHg2MGEuanBnPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfdG9wX3VybDwvc3Ryb25nPiAtIGh0dHA6Ly93d3cud29vdGhlbWVzLmNvbTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX3VybF8xPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWRfdXJsXzI8L3N0cm9uZz4gLSBodHRwOi8vd3d3Lndvb3RoZW1lcy5jb208L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hZF91cmxfMzwvc3Ryb25nPiAtIGh0dHA6Ly93d3cud29vdGhlbWVzLmNvbTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2FkX3VybF80PC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy53b290aGVtZXMuY29tPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fYWx0X3N0eWxlc2hlZXQ8L3N0cm9uZz4gLSBkYXJrYmx1ZS5jc3M8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19hdXRob3I8L3N0cm9uZz4gLSBmYWxzZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2F1dG9faW1nPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2N1c3RvbV9jc3M8L3N0cm9uZz4gLSA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19jdXN0b21fZmF2aWNvbjwvc3Ryb25nPiAtIDwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2ZlYXR1cmVkX2NhdGVnb3J5PC9zdHJvbmc+IC0gVWl0Z2VsaWNodDwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2ZlYXRfZW50cmllczwvc3Ryb25nPiAtIDE8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19mZWVkYnVybmVyX2lkPC9zdHJvbmc+IC0gPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29fZmVlZGJ1cm5lcl91cmw8L3N0cm9uZz4gLSA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19nb29nbGVfYW5hbHl0aWNzPC9zdHJvbmc+IC0gPHNjcmlwdCB0eXBlPVwidGV4dC9qYXZhc2NyaXB0XCI+DQoNCiAgdmFyIF9nYXEgPSBfZ2FxIHx8IFtdOw0KICBfZ2FxLnB1c2goW1wnX3NldEFjY291bnRcJywgXCdVQS0yMTIyMzIwNS0xXCddKTsNCiAgX2dhcS5wdXNoKFtcJ190cmFja1BhZ2V2aWV3XCddKTsNCg0KICAoZnVuY3Rpb24oKSB7DQogICAgdmFyIGdhID0gZG9jdW1lbnQuY3JlYXRlRWxlbWVudChcJ3NjcmlwdFwnKTsgZ2EudHlwZSA9IFwndGV4dC9qYXZhc2NyaXB0XCc7IGdhLmFzeW5jID0gdHJ1ZTsNCiAgICBnYS5zcmMgPSAoXCdodHRwczpcJyA9PSBkb2N1bWVudC5sb2NhdGlvbi5wcm90b2NvbCA/IFwnaHR0cHM6Ly9zc2xcJyA6IFwnaHR0cDovL3d3d1wnKSArIFwnLmdvb2dsZS1hbmFseXRpY3MuY29tL2dhLmpzXCc7DQogICAgdmFyIHMgPSBkb2N1bWVudC5nZXRFbGVtZW50c0J5VGFnTmFtZShcJ3NjcmlwdFwnKVswXTsgcy5wYXJlbnROb2RlLmluc2VydEJlZm9yZShnYSwgcyk7DQogIH0pKCk7DQoNCjwvc2NyaXB0PjwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2hvbWU8L3N0cm9uZz4gLSBmYWxzZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX2hvbWVfdGh1bWJfaGVpZ2h0PC9zdHJvbmc+IC0gNTc8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19ob21lX3RodW1iX3dpZHRoPC9zdHJvbmc+IC0gMTAwPC9saT48bGk+PHN0cm9uZz53b29faW1hZ2Vfc2luZ2xlPC9zdHJvbmc+IC0gZmFsc2U8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19sb2dvPC9zdHJvbmc+IC0gaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvOS1sb2dvLmpwZzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX21hbnVhbDwvc3Ryb25nPiAtIGh0dHA6Ly93d3cud29vdGhlbWVzLmNvbS9zdXBwb3J0L3RoZW1lLWRvY3VtZW50YXRpb24vZ2F6ZXR0ZS1lZGl0aW9uLzwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3Jlc2l6ZTwvc3Ryb25nPiAtIHRydWU8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19zaG9ydG5hbWU8L3N0cm9uZz4gLSB3b288L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19zaG93X2Nhcm91c2VsPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3Nob3dfdmlkZW88L3N0cm9uZz4gLSBmYWxzZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3NpbmdsZV9oZWlnaHQ8L3N0cm9uZz4gLSAxODA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb19zaW5nbGVfd2lkdGg8L3N0cm9uZz4gLSAyNTA8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb190YWJzPC9zdHJvbmc+IC0gdHJ1ZTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3RoZW1lbmFtZTwvc3Ryb25nPiAtIEdhemV0dGU8L2xpPjxsaT48c3Ryb25nPndvb191cGxvYWRzPC9zdHJvbmc+IC0gYTo3OntpOjA7czo1NToiaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvOS1sb2dvLmpwZyI7aToxO3M6NjU6Imh0dHA6Ly93d3cuam9waW5pZS5ubC93b3JkcHJlc3Mvd3AtY29udGVudC93b29fdXBsb2Fkcy84LWxvZ28uanBnIjtpOjI7czo2NToiaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dvcmRwcmVzcy93cC1jb250ZW50L3dvb191cGxvYWRzLzctbG9nby5qcGciO2k6MztzOjY1OiJodHRwOi8vd3d3LmpvcGluaWUubmwvd29yZHByZXNzL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvNi1sb2dvLnBuZyI7aTo0O3M6NjU6Imh0dHA6Ly93d3cuam9waW5pZS5ubC93b3JkcHJlc3Mvd3AtY29udGVudC93b29fdXBsb2Fkcy81LWxvZ28ucG5nIjtpOjU7czo2NToiaHR0cDovL3d3dy5qb3BpbmllLm5sL3dvcmRwcmVzcy93cC1jb250ZW50L3dvb191cGxvYWRzLzQtbG9nby5wbmciO2k6NjtzOjY1OiJodHRwOi8vd3d3LmpvcGluaWUubmwvd29yZHByZXNzL3dwLWNvbnRlbnQvd29vX3VwbG9hZHMvMy1sb2dvLnBuZyI7fTwvbGk+PGxpPjxzdHJvbmc+d29vX3ZpZGVvX2NhdGVnb3J5PC9zdHJvbmc+IC0gU2VsZWN0IGEgY2F0ZWdvcnk6PC9saT48L3VsPg==